De ceremoniën der Wet opgehouden? – NGB artikel 25

Hierbij een persoonlijke gedachte over artikel 25 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis (NGB), de ceremoniële wet. Wat werd er in die tijd met de “ceremoniële wet” bedoeld? Voor mij een vraag. Lastige vraag omdat er in de bijbel geen splitsing van ceremoniële wetten ten opzichte van andere wetten van de Torah wordt gevonden. Ook niet in het Nieuwe Testament.belgium confession

Het volk Israël heeft zich met een eed aan de Torah verbonden. “Wij zullen [deze Torah] doen en horen” was de respons aan de voet van de berg Sinaï. En de Heere Jezus bevestigde dit volgens Matth.5 dat er geen tittel of jota van de wet zal veranderen.

Bij mij geeft artikel 25 een beetje een probleem. Niet onoverkomelijk. Maar het heeft voor mij verklaring nodig. Het probleem begint met een onderliggend (voor mij) principieel uitgangspunt dat er een scheiding is tussen het volk Israël en de niet-joodse kerk of gemeente van God. Zeg maar het tegenovergestelde van de vervangingsleer: Blijvend onderscheid tussen Jood en niet-Jood.

De opstellers van de NGB konden die scheiding nog niet goed zien. Integendeel, zij handelden vanuit het principe van de vervangingsleer. Nu, zo’n 300 jaar later is de situatie natuurlijk heel anders. Inmiddels zien we dat de Joden hun identiteit hebben behouden (dat betekent dat ze de Torah hebben gehouden tot nu toe) en dat de profetieën hun vervulling vinden in dat volk. Het joodse volk is inmiddels (gedeeltelijk) in hun land teruggekeerd. Ondertussen zien we dat de kerk haar plaats opnieuw een het herzien is ten opzichte van het Joodse volk.

Dit onderscheid tussen Jood en niet-Jood, wat naar mijn idee ook is tussen joodse gelovige en niet-joodse gelovige, was ook na de Reformatie nooit duidelijk geweest. Nog steeds is het niet duidelijk. Ik ben er op dit moment een boek over aan het schrijven om te laten zien dat er inderdaad een onderscheid is, ook ten tijde van de apostelen.

Het Joodse volk en de Torah zijn met elkaar verbonden. Daardoor is het volk Joods, het is hun identiteit. Het probleem is dan dat Israël die zich verbonden heeft aan de Torah, niets kan veranderen aan deze Torah. Dat zou alleen kunnen door de autoriteit van Jezus. Een expliciete openbaring van Jezus aan het volk Israël. Waarbij dan te kennen wordt gegeven dat de Torah niet meer vervuld zou moeten worden zoals Mozes heeft bevolen. Bijvoorbeeld dat de offerdienst niet meer nodig is.

Wij, de kerk als niet-Joden zijn toch niet in staat om dat te doen voor het Joodse volk? Ook het Nieuwe Testament geeft dat niet aan. Joodse gelovigen bleven joods leven. Het Joodse volk, ook de apostelen en ander gelovige Joden, hebben altijd geofferd zolang de tempel er stond. Naar mijn idee kunnen wij (of beter de kerk) niet bepalen voor het Joodse volk hoe je de Torah moet houden.

Het tweede punt is dan dat de opstellers van de NGB het verschil niet zagen en dus niet zozeer oordeelden voor het Joodse volk: Er was maar één volk en dat was Israël uit Jood en Heiden, eigenlijk de Kerk.

Met dat in het achterhoofd, ga ik nu het artikel voorlezen over het “afdoen der ceremoniële wet”.

Artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis:

Van het afdoen der ceremoniële wet.

Wij geloven dat de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben met de komst van Christus, en dat alle schaduwen een einde genomen hebben; alzo dat het gebruik daarvan onder de Christenen weggenomen moet worden; nochtans blijft ons de waarheid en substantie daarvan in Christus Jezus, in Denwelken zij hun vervulling hebben. Intussen gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te reguleren, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens Zijn wil.”

“Wij geloven dat de ceremoniën en figuren der Wet

Dit is een onduidelijke aanduiding. De tempel ceremonieen zou duidelijker zijn geweest, maar dat sluit andere dingen uit die de kerk ook niet meer houdt, zoals b.v. het loofhuttenfeest. En wat wordt er met “figuren der wet” bedoeld? De figuren gelden niet meer maar de “waarheid en substantie” daarvan wel. Dit slaat dan niet op de vergeestelijking van de wet, want dat gebruikt de kerk wel. Wat zijn “de figuren” dan? Die vraag blijft bij mij.

Dan verder: “opgehouden hebben met de komst van Christus en dat alle schaduwen een einde genomen hebben”. Probleem hier is dan het vraagstuk waarom Paulus de wet tot het einde van zijn leven gehouden heeft. Want dat blijkt duidelijk uit de laatste hoofdstukken uit het boek Handelingen. Voor het Joodse volk (zoals voor Paulus) heeft het niet “opgehouden”.

Voor de christenen ligt hier eigenlijk de kern van de zaak. Met de uitdrukking dat de schaduwen een einde genomen hebben wordt bedoeld dat de wet vervuld is geworden in Christus. Dit geldt in het bijzonder voor christenen die Jezus als de Messias hebben aangenomen. De vervulling van de Torah is de zaligheid. In ultieme zin, eigenlijk is de volmaakte vervulling van alles pas na dit leven, waar het eeuwig leven in Jezus is geworden. De volmaakte vervulling van alles, van de (her)schepping. Dat is begonnen met de komst van Jezus. Het probleem hier is dat het Joodse volk deze Jezus (en de vervulling) niet heeft aangenomen. Maar dat (om die reden) de vervulling van de Torah en daarmee de zaligheid, de heidenen, of beter, niet-Joodse gelovigen is geworden.

“Alzo dat het gebruik daarvan onder de Christenen weggenomen moet worden.” Wat mij betreft ligt hier iets moois in. Als tenminste onder “de christenen” wordt verstaan dat dit de niet-joodse kerk of gemeente is. Het is immers op het Jeruzalem convent besloten dat christenen (niet-Joodse gelovigen) de Torah niet hoeven te houden. (Hand.15) Precies wat Paulus voorstond bij de gemeente van Galatie. Niet-Joodse gelovigen moesten niet door (Judaiserende) Joodse gelovigen de Torah worden opgelegd. Daardoor kwam de zaligheid niet dichterbij, integendeel. In dat opzicht “moet het onder christenen weggenomen worden”, De Torah is alleen voor Joden bedoeld.

Nochtans blijft ons de waarheid en substantie daarvan in Christus Jezus”. Wat wordt bedoeld met “waarheid en substantie”? Dat is voor mij onduidelijk. Het is wel een duidelijk statement dat de waarheid in Christus Jezus blijft bestaan. Dat is heel mooi, want zodanig blijft de Torah van kracht met tittel en jota. Alleen het is hier de uitleg van die waarheid die voor onduidelijkheid kan zorgen.

“In Denwelken zij hun vervulling hebben.” En dus is alles in Christus vervuld. Alleen de uitwerking van de vervulling is onder de Joden als verbondsvolk nog niet te vinden.

“Intussen gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te reguleren, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens Zijn wil.” Wat zijn “de getuigenissen”? Ook hier dezelfde onduidelijkheid. Is het niet juist op basis van deze onduidelijkheid over de wet, dat men een ‘pick and choose’ mentaliteit ontwikkeld? Dat men zelf gaat kiezen wat er van de wet moet worden gehouden en wat niet? “Gebruiken wij nog” hetgeen wat kerkelijk wordt overeengekomen? Bijvoorbeeld: een vrouw mag geen mannenkleding aan, maar er mag wel varkensvlees worden gegeten? Of: De sabbat moet je houden, maar het Loofhuttenfeest niet?

Ik denk dat de intentie van dit artikel 25 wel goed is. Maar het niet onderkennen van het onderscheid tussen Jood en niet-Jood, ook onder gelovigen, maakt het onduidelijk en eigenlijk niet toepasbaar.

Wat dan? Is de Nederlands Geloofsbelijdenis niet goed? Ik meen dat deze belijdenis met zulke uitmuntend goede uiteenzettingen, zoals b.v. van de rechtvaardigmaking, zeker wel goed is. Maar ook het christendom heeft net als het jodendom gebreken omdat nog niet alles in de uitwerking vervuld is. En dat geeft dat we niet alles kunnen doorzien. De tijd is hierbij de beste leermeester. Vooralsnog zou ik zeggen: Bij twijfel vasthouden aan de “drie formulieren van enigheid” als uitleg van de bijbel. Voor Christenen.

Advertenties

De eerste christenen, jaren 30-70

Inleiding mannenvereniging, 19-10-2018

“Om de eerste ‘christenen’ te verstaan, moet je kennis hebben van het jodendom. Ze waren immers Joden. De Apostelen waren Joden. De Heere Jezus was een Jood. Jakobus die de eerste gemeente te Jeruzalem leidde, werd door de meeste Joden hoog gewaardeerd vanwege zijn rechtvaardigheid. Daarom werd hij ook Jakobus de Rechtvaardige genoemd. Deze gemeente te Jeruzalem was de hoofdgemeente, die de dienst uitmaakte. Dit was dus een joodse gemeente in een joodse synagoge waar volgens de joodse wet werd geleefd.”

Lees de inleiding hier:
De eerste christenen, jaren 30-70

Punt 1: Het joodse karakter van de eerste gemeente.
Punt 2: Wat Paulus met de wet bedoelde.

De tempel zoals hij er uitzag in de tijd van de apostelen

De tempel en omgeving zoals het er uitzag in de tijd van de apostelen

De Olijfboom en Israel

In het RD 12-10-2018 reageert ds. Dirk Visser op het protest van 5 PKN predikanten tegen het manifest van ds. J. Offringa.

Hierbij een reactie van mij.

Hij gaat in op een uitspraak van de vijf predikanten dat “de kerk als een wilde tak geënt is op Israël als de tamme olijf” (Rom. 11:17). Waar hij vervolgens vraagtekens bij stelt. Tenslotte stelt hij dat de stelling dat de kerk die de verbondenheid met Israël opzegt de tak doorzaagt waarop zij zit, onhoudbaar is.

Dat hij daar een stelling van maakt is denk ik een beetje onterecht ten opzichte van de vijf, maar anderzijds is die gebrekkige stelling best te verdedigen.

Waar ik hier op in wil gaan is de uitleg van de olijfboom en de takken naar het beeld wat Paulus opvoert. En inderdaad Paulus gaat heel flexibel met zijn beeldspraak om. Je kunt het niet gebruiken zoals ds. D. Visser terecht opmerkt door elk onderdeel een (theologische) duiding te geven. Paulus ging doorgaans ook flexibel met bijbelteksten om. Hij was zeer wijs en kende de schriften zeer goed. Maar hij baseerde alles wel op de Torah. Hoe kan het ook anders.

Als een rode draad door het beeld van olijfboom loopt het joodse begrip van de eerstelingen. Paulus begint hiermee en verwijst met deze eerstelingen vakkundig naar de Torah. Daar ligt het beginsel van zijn rede. De eerstelingen (garven) van de gersteoogst kwamen daags na het paasfeest. (Dat markeerde het begin van de omertelling, wat 49 dagen duurde, en uitliep in het pinksterfeest.) Deze eerstelingen waren heilig en daarvan werd deeg gemaakt. Dat deeg was dus ook heilig zo redeneert Paulus in vers 16. Er werd immers brood van gebakken voor God. (Lev.23:17)

Op basis van die eerstelingen vormt Paulus zijn beeld van de olijfboom. Hij zegt dan: “Indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.” (Vers 16) Het Joodse volk had dus een heilig beginsel, en het bleef heilig. Dat is de conclusie en vormt de grondslag van het beeld van de olijfboom.

Dat Paulus in Rom.11:16 op het deeg wijst sluit de verklaring van ds. D. Visser uit dat met de eerstelingen de aartsvaders zouden worden bedoeld.

Het is Israël waar God Zich aan heeft geopenbaard. Dat volk kreeg de wetten en de verbonden. Niet Ismaël de zoon van Abraham of Esau de zoon van Izak. Maar met Israël is God het verbond aangegaan. Zij kregen het Woord. Zij kregen de Messias en zullen Hem nog aannemen volgens Paulus. Zij hebben een heilige wortel volgens Paulus en daarmee zijn die afgebroken takken ook heilig.

Het zou beter zijn voor ons als we wat meer respect zouden hebben voor dat volk. Voordat we ook als takken afgebroken worden. (Rom.11:21) Want het is voorwaar geen kleine zaak dat ze dat woord van de Sinaï op zich genomen hebben. Zowel de zegen als de vloek hebben ze gedragen. Om dat Woord wat wij nu om niet hebben ontvangen. En als het dan door hen is gekomen dat wij de Messias hebben ontvangen en zij nog onder het oordeel verkeren, hoe veel te meer respect zou je verwachten van de christelijke kerk! Maar ook hierin zien we hoe verdorven we zijn. Niet beter dan Israël! De zonde komt in ons niet minder openbaar. We hebben hetzelfde nodig. En dat is Jezus en Hij is niet goedkoop de wereld in gekomen. Hoe ernstig is de waarschuwing van Paulus aan de niet-joodse gemeente: Heb geen hoge dunk van uzelf maar vrees! (Rom.11:20) Laat het dan maar een mysterie zijn voor wat we niet begrijpen. (Rom.11:23) En laten we Paulus zijn visie op Israël in Rom.9-11 maar staan zoals het er staat. Als een “heilig” volk. Een volk met nog een bedoeling van God, anders bestond dat volk al lang niet meer in 2018.

En als we het woord heilig niet willen gebruiken zoals Paulus het gebruikt, dan moeten we beseffen dat het op zijn minst een afgezonderd volk is met een bijzondere relatie met God. Een volk met het meest heilige boek ter wereld, wat wij dagelijks gebruiken. Met de meest expliciete beloften die nog vervuld moeten worden. Het volk van die God die Zich ook aan ons, niet-Joden, heeft geopenbaard. Israëls getrouwe God.

Joden, Jodengenoten, Godvrezenden en heidenen

Uit hen ontstond de kerk.

Lukas noemt in zijn boek Handelingen vier onderscheiden soorten mensen die deel uitmaken van de gemeente van Jezus Christus. Het begon met Joden en Jodengenoten, (Hand.2:10) daarna (een aantal jaren later, Hand.10) kwamen er Godvrezenden en heidenen bij.

Joden

Vrij eenvoudig wie dat waren. Je was een Jood als je uit een Joodse moeder geboren was. Daar begon de christelijke gemeente mee. Jezus, de Apostelen en andere joodse bekeerlingen tot Jezus.

Jodengenoten480px-people_icon-svg

De Statenvertalers gebruikten dit woord. Waar in het Grieks het woord “proseliet” staat, werd dit als “jodengenoot” vertaald. (Mt 23:15; Hd 2:10; 6:5 en 13:43) Dit waren heidenen die waren overgegaan tot de Joodse godsdienst. Het waren dus eigenlijk ook Joden, maar omdat zij proselieten waren, werden ze hun leven lang gekenmerkt door deze status van proseliet. Het Hebreeuwse begrip daarvoor is: Ger. (Vreemdeling) De Septuaginta vertaalt het woord Ger ook met proseliet. Jodengenoot staat dus voor het Hebreeuwse begrip Ger. Een Ger was besneden en maakte volledig deel uit van het Israëlitische volk.

Godvrezenden

Dit waren mensen, heidenen, die sympathiseerden met de Joden. Zij deden mee in bepaalde mate met de joodse gebruiken en tradities, maar waren niet besneden. Zij waren niet Joods zoals de Jodengenoten. God-fearer in het Engels. De kamerling van Candáce en Cornelius van Caesarea waren zulke mensen.

Heidenen

Alle anderen die niet in eerstgenoemde drie categorieën vallen. Gojiem in het Hebreeuws. Maar Godvrezenden zijn ook gojiem, ze zijn immers geen Jood. Gojiem is een Hebreeuws begrip voor alle niet-Joden.

Binnen de joodse godsdienst is het onderscheid tussen Jood en niet-Jood belangrijk. Joden en Jodengenoten zijn Joods, Godvrezenden en heidenen zijn niet-Joods. Dit onderscheid is van belang, want bij de beschrijving van het pinksterfeest heeft Lukas het over Joden en Jodengenoten. (Hand.2:10) Het pinksterfeest was dus nog een joodse aangelegenheid. Pas later kwamen er niet-Joden bij, Godvrezenden en Heidenen. Zo rond het jaar 37 kwam op deze mensen de Heilige Geest, te beginnen met Cornelius. (Hand.10) Het Pinksterfeest (feest der eerstelingen) werd vervuld aan de Joden. Het loofhuttenfeest (feest der inzameling) moet nog vervuld worden. Maar “de zaligheid is de heidenen geworden”, Rom.11:11

Torah leren! Aldus Paulus aan Joodse Christenen

Over het algemeen spreekt Paulus in zijn brieven niet-Joden aan. (Christenen uit de heidenen) Maar een enkele keer horen we hem spreken tot zijn joodse broeders. Zo ook aan de Hebreeën, waarvan hij verwacht dat ze een zekere kennis van de wet hebben. In Paulus zijn andere brieven hoor je de aansporing om gerechtigheid uit de wet te leren niet. Eerder het tegendeel. Maar in zijn brief aan de Hebreeën geeft Paulus zijn joodse medegelovigen ervan langs omdat ze te weinig gerechtigheid hebben geleerd. Te weinig Torah studie, bedoelt een Jood zoals Paulus dan te zeggen. Vanwege de tijd (de leeftijd), zegt Paulus, hadden ze leraars der wet moeten zijn, geleerde Rabbijnen. Maar nu zijn ze nog kinderen in de zaken van het onderscheid tussen goed en kwaad. Ze willen de nieuwe gemeente wel onderwijs geven, maar ze hebben het zelf eerst nodig. Ze moeten meer les krijgen van de Joodse wetgeleerden.baismedrashinterior

“Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, [als] die melk van node hebben, en niet vaste spijze. Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind. Maar der volmaakten [volwassenen in kennis] is de vaste spijze, die door de gewoonheid [praktisering] de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.” (Heb.5:12-14)

Dat Paulus zegt: “dat men u lere”, wie zou hij dan met “men” bedoelen? Het is meervoud, dus het moet op meerdere mensen slaan die onderwijs kunnen geven. Dat zijn in die tijd joodse geleerden. Zij gaven onderwijs in de wet, net als Rabbijn Gamaliel aan Paulus. (Hand.22:3)

Het moet Paulus ook wel tot droefheid gestemd hebben dat hij onder zijn joodse broeders, de Hebreeën, geen “leraars van het woord der gerechtigheid” tegenkwam. En het geeft ons te kennen dat de “tijden der heidenen” waren aangebroken met de dood en opstanding van Jezus en niet de tijd van de verlossing van de Joden.

Overigens bedoelde Paulus natuurlijk zeker niet dat ze enkel moesten gaan studeren met hun menselijk verstand. Dat brengt hoogmoed en misverstanden. Maar de wijsheid die de Heilige Geest paart aan het verstand door de grote Profeet Jezus, die moet door het woord verkregen worden. Verlichting van het verstand. Dat geeft de Joden “die de woorden Gods zijn toevertrouwd” (Rom.3:1) een bijzondere roeping. Wat dat betreft ligt er nog een bijzondere belofte, wanneer de Geest op hen zal uitgestort worden. (Zach12:10) En tot een licht der volken zullen zijn. (Jes.2 en 51:4)

 

Rabbijn Ignatz (Izak) Lichtenstein

Lichtenstein’s vroege jaren

Rabbijn Lichtenstein werd geboren in 1824 en werd nog voordat hij 20 jaar was rabbijn. Nadat hij in verschillende gemeenten in Noord Hongarije had gediend, werd hij opperrabbijn in het district Tapioszele voor zo’n 40 jaar.DasLicht

Eerder in zijn carriere gebeurde het dat een van zijn leraren van de gemeentelijke school van zijn district hem een Duitse bijbel liet zien. Terwijl hij bladerde viel zijn oog op “Jesu Christi.” Hij werd verschrikkelijk boos en wees de leraar scherp terecht voor het bezitten van zoiets slechts in zijn district. Hij pakte het boek en smeet het door de kamer heen waarna het terecht kwam achterin een boekenplank achter wat andere boeken waar het zo’n 30 jaar bleef liggen.

Tisza Eslar affaire en Franz Delitzsch

In April van het jaar 1882 brak een grote golf van antisemitisme uit in Hongarije wat zijn hoogtepunt bereikte in wat nu genoemd wordt de “Tisza Eslar affaire”. Het werd echter aangetoond dat de lastering vals was, zonder grond zoals gewoonlijk, door een grote groep prominente Christelijke leiders waaronder in het bijzonder dr. Franz Delitzsch, een bijbelse wetenschapper en professor aan de Leipzig Universiteit, die met het voorstel kwam om het Joodse volk te verdedigen tegen deze vreemde laster.

Deze defensieve daad van Delitzsch, zo’n prominent Christen, speelde een hoofdrol in rabbijn Lichtenstein’s herbeschouwing van Jezus en het Nieuwe Testament.

“In de door Delitzsch geschreven artikelen waarin hij opkwam voor de Joden in Hongarije, kwam ik vaak passages tegen waar over Jezus werd gesproken waar Hij vreugde tot de mensen bracht, de Koning van de vrede en de Verlosser; en Zijn Evangelie verheerlijkt werd als een boodschap van liefde en leven voor alle mensen. Ik was verwonderd en durfde mijn ogen niet te geloven toen ik het Nieuwe Testament bemerkte wat ik zo’n 30 jaar geleden boos van een Joods leraar genomen had. Ik begon te bladeren en las. Hoe kan ik de indruk uitdrukken die ik toen kreeg? Niet de helft is mij verteld van de grootheid, de kracht en heerlijkheid van dit boek, wat voorheen voor mij verzegeld was. Het leek alles zo nieuw en toch kwam het mij voor als een oude vriend die zijn oude stoffige kleding opzij had gelegd en nu verscheen in feestelijke kleding zoals een bruidegom in bruidspak of bruid versierd met juwelen.”

Lichtensteins nieuwe moed

Voor zo’n twee of drie jaar heeft hij zijn overtuigingen geheim gehouden. Maar nadat de tijd verstreek begon hij voorzichtig sommige van zijn vreemde en nieuwe leerstukken in de synagoge te verkondigen, wat bij zijn toehoorders interesse wekte en verbazing. Maar op het laatst kon hij zich zelf niet meer inhouden. Op een shabbat, toen hij preekte over de gelijkenis van Jezus over de witgepleisterde graven, kwam hij er openlijk voor uit dat het onderwerp kwam van het Nieuwe Testament. En hij sprak van Jezus de ware Messias, de verlosser van Israel.

Hij bundelde zijn ideeën in drie publicaties die spoedig achter elkaar verschenen. Deze veroorzaakten een enorme opschudding binnen de Joodse gemeente, niet alleen in Hongarije, maar door heel Europa. Dit was niet verwonderlijk, want hier was een oude hooggeachte rabbijn in zijn ambt, die zijn volk toeriep met vurige woorden om zichzelf te voegen onder de banier van de lang verachte Jezus van Nazaret, en om Hem te eren als de ware Messias en Koning.

Tegenstand en vervolging

Direct brak er een storm van vervolging los. Vanaf de Joodse kansel en de pers werd hij overal in de ban gedaan. En hij die slechts een paar weken daarvoor nog bij de meest hooggeachte leiders en leraren hoorde, werd nu omschreven als een schande en schade voor de natie. Valse beschuldigingen werden over hem verspreid, en op een gegeven moment moest hij verschijnen voor het rabbinaat in Boedapest.

Toen hij de hal binnenkwam werd hij begroet met de kreet: herroep u! herroep u! En Rabbi Lichtenstein zei: “Mijne heren! Ik ben van harte bereid om mijzelf te herroepen als jullie mij kunnen overtuigen dat ik fout ben.”

Opperrabbijn Kohn stelde een compromie voor. Rabbijn Lichtenstein mag geloven wat hij wil in zijn hart, als hij maar ophoud met preken over Jezus. De rabbijnse synode zou dan een document opstellen waarin staat dat wat Rabbijn Lichtenstein schreef was gedaan in een tijdelijke toestand van waanzin, en alles wat hij dan moest doen was zijn handtekening eronder zetten. Rabbijn Lichtenstein antwoordde kalm maar verontwaardigd dat dit toch wel een heel vreemd voorstel was. Daarop antwoordden zij dat hij afstand moest doen van zijn positie en zich formeel moest laten dopen om daarmee te betuigen dat hij zich afscheidt van het Joodse volk. Maar hij antwoorde en zei dat hij niet van zins was om zich bij de kerk te voegen en dat hij in het Nieuwe Testament het ware Jodendom gevonden had, en van plan was om bij hen te bijven als voorheen en te leren in de synagoge.

En zo deed hij… ondanks zware vervolgingen en aanklachten. Vanuit zijn officiele positie als regionale rabbijn ging hij voort te preken en te leren uit het Nieuwe Testament. Dit vormde tegelijkertijd een sterk getuigenis naar zijn eigen gemeente en verbondenheid. Alleen die gemeente had te macht hem te ontslaan. Veel druk was er uitgeoefend op die gemeente en kennissen van zijn vrouw waren financieel volledig geruineerd, maar toch bleven ze hun gerespecteerde rabbijn ondersteunen.

Rabbijn Lichtenstein en zijn geschriften werden alom bekend en verschillende kerk en zendelingschappen zochten zijn diensten onder het aanbod van aantrekkelijke gaven, inclusief de Paus. Maar rabbijn Lichtenstein had tot die allen maar één antwoord:

“Ik zal bij mijn eigen volk blijven, ik heb de Messias lief, ik geloof in het Nieuwe Testament, maar ik ben niet geleidt om mij tot het Christendom te voegen. Net zoals de profeet Jeremiah na de verwoesting van Jeruzalem, ondanks de bijzondere aanbiedingen van Nebukadnezar en zijn dienaar, koos om te blijven en te treuren over de puinhopen van de heilige stad, en met de overgebleven broeders die vervolgd worden, zo wil ik ook blijven onder mijn broeders, als een wachter onder hen en om te pleiten en te zoeken met hen om te komen tot Jezus de ware glorie van Israel.”

Lichtenstein bedankt als opperrabbijn van het Noordelijke deel van Hongarije.

Ten laatste, nadat alle mogelijkheden uitgeput waren om de leden van zijn gemeente te redden van een complete ondergang, en omdat zijn gezondheid er heftig onder leed, bedankte hij vrijwillig als plaatselijke opperrabbijn. Hij vestigde zich in Budapest, maar de tegenstand bleef medogenloos. Hij werd gevolgd op straat en zelfs fysiek aangevallen. Zijn kapper kreeg steekpenningen om zijn baard eraf te halen. Zijn huisbaas hield iedereen die hem bezocht goed in gaten en speelde informatie door naar de rabbijnse authoriteiten. Maar ondanks deze felle tegenstand kwamen er Joodse volgelingen van allerlei rang en stand om hem te bevragen en met hem te discussiëren.

Laatste jaren

Rabbi Lichtenstein reisde de volgende twintig jaar naar vele delen van Europa om te spreken over de waarheid zoals hij die zag in de Messias. Maar uiteindelijk vroegen de stormen van kritiek en misverstanden haar tol. Zijn geest echter bleef onverschrokken. In zijn boek “An appeal to the Jewish people” schreef hij:

“Zo wil ik dan als laatste eerlijk en publiekelijk belijdenis doen, wat door diepe overdenkingen en innerlijke moeilijkheden is gekomen; Ja, zo is mijn vaste onveranderlijke overtuiging… als een rabbijn grijs geworden in het ambt, als een oude Jood trouw aan wet, belijd ik dat Jezus de voorzegde Messias van Israel is… waar wij naar uitzien en wiens komst ons volk altijd heeft verwacht, Hij is gekomen! Dit nu is mijn roep van vreugde, wat mijn lippen en pen, zo God het wil, kenbaar zal maken zolang ik leef.”

Onverwachts werd hij ernstig ziek. Realiserend dat zijn einde nabij was zei hij in de tegenwoordigheid van zijn vrouw en de zuster:

“Breng mijn hartelijkste groeten aan mijn broeders en vrienden. Goedenacht mijn kinderen, goedenacht mijn vijanden, jullie kunnen mij nu niet meer verwonden. Wij hebben één God en één Vader van al diegenen die kinderen genoemd worden in de hemel en op aarde, en één Messias die zijn leven heeft overgegeven aan het vervloekte hout voor de verlossing van de mens. Heere, in Uw handen beveel ik mijn geest.”

Op de morgen van Hosjana Rabba, vrijdag 16 oktober 1909 op 85 jarige leeftijd kwam Rabbijn Lichtenstein in de eeuwige zaligheid.

______________________________

Dit artikel is een vertaling van het artikel op het Yinon weblog. (www.messianicjudaism.me/yinon)

Meer van Lichtenstein is te vinden in The Vine of David. (http://vineofdavid.org)

Uitleg van het boek Openbaringen

Isaac Newton zei dat we de profetieën pas echt verstaan wanneer ze zijn vervuld. Dat klopt denk ik. Daarom kun je ook niet zo gemakkelijk zeggen dat de betekenis van Openbaringen zus of zo is. En toch is het de gelovigen gegeven tot beter inzicht en vaster geloof en tot troost.

Je kunt de verschillende visies op Openbaringen onderverdelen in:
– Preterisme (meeste is al vervuld)
– Historicisme (boek Openbaringen beslaat het hele christelijke tijdperk)
– Futurisme (antichrist moet nog komen)
rev.21

Ik schaar me onder de Historicisten. In de lijn van de Reformatie en de Puriteinen.

Voor wie meer over deze drie visies wil weten, zie mijn eerder geschreven notitie daarover.

Hier te downloaden.