Jezelf ergeren aan Jezus

Wat een titel. Maar ik schrijf hem toch op, het is bijbels. De dag voor de kruisiging ergerden de discipelen zich ook aan Jezus. Toen was het geen Heere Jezus, maar “ik ken die mens niet”. In feite is het iets wat een gelovige beleven kan.

Een Christen die tot de kern van het christelijke geloof komt, die zegt vanuit een diepe beleving van zijn onrechtvaardigheid en neiging tot het kwaad, dat hij het zelf is die Jezus verwerpt. Jezus is dan “de ongewenste” in diepe delen van het hart. Zo’n Christen ervaart dat hij medeschuldig is aan de “kruisiging” van Jezus.

Tegelijkertijd heeft deze belijdenis een onnoemelijk grote rijkdom in zich omdat dit het vlinder13_soortrechtvaardige werk Gods is, waardoor de mens wordt hersteld in een gelukzalige toestand.

Deze zelfontdekking moesten de discipelen ook beleven toen Jezus gekruisigd werd. Want de nacht daarvoor zouden zij zich allen ergeren aan Jezus. “Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht.” (Matth.26:31) Ze werden dus ook allen geërgerd toen Jezus gevangen werd en vluchtten weg. (Matth.26:56) Ook degene die toch nog mee wilde gaan, moest naakt wegvluchten. (Mark.14:52)

Eén discipel is ons voor deze geschiedenis ten voorbeeld overgebleven, die met de grootste mond: Ik zal niet schuldig zijn. We kennen de geschiedenis van Petrus. Op het meest cruciale moment, toen Jezus ter dood werd veroordeeld, zei hij: “Ik ken die mens niet”. (Matth.26:74)

Dit is het laatste wat we van de discipelen lezen toen de Heere Jezus nog in leven was. Wat wil dat zeggen? Ik denk dat we hier kunnen zien dat de discipelen zichzelf vereenzelvigen met in de eerste plaats alle gelovigen. En als Joden zijnde, was het een profetisch typering van hoe het Joodse volk haar Messias zou accepteren. Niet dus, Hij werd verworpen. Het gaat dan om het Joodse verbondsvolk en “Allen die daar verre zijn zovelen als de Heere er toe roepen zal.” (Hand.2:39) Met andere woorden, het volk wat God verlossen zal, dat volk is schuldig aan de “kruisiging”. Of zachter uitgedrukt, schuldig aan dat Jezus niet is gewenst.

Ten diepste is dat ook het probleem bij een bekering. De onwil om zichzelf volledig over te geven aan Jezus. Niet meer van jezelf zijn, maar van een Ander. De rechtvaardigheid van God verkrijgen uit genade. Dat vraagt jezelf als offer. Maar hoewel een opoffering, je raakt jezelf niet kwijt, je ontvangt jezelf als een nieuw mens. Dat is een heel proces. De Heere Jezus zei tegen Petrus voordat hij genoemde zelfontdekking beging: “Als gij eens zult bekeerd zijn”. (Luk.22:32) Het was een leerproces. En levenslang moet er geleerd worden.

Dat het Joodse volk diezelfde schuld van de kruisiging op zich heeft genomen, is niet alleen om de straf te dragen, maar ook om tot de juiste belijdenis te komen. Want ze zullen zien wie ze “hebben doorstoken.” (Zach.12:10) De uitspraak “Zijn bloed kome over ons” (Matth.27:25) wordt dan tot zaligheid.

De tekst uit de profeet Zacharia “Ik zal de herder slaan.” (Zach.13:7) komt hier, toen Jezus gevangen werd genomen, tot vervulling zoals de Heere Jezus dit zelf aangeeft. (Matth.26:31) De Heere slaat de Herder door zijn eigen volk. Enerzijds door de ongelovige Joden, maar anderzijds, zou de verloochening van Petrus niet nog harder aangekomen zijn voor de Herder?

Advertenties

Vraag aan Rabbijn: Rechtvaardigheid

Onlangs heb ik een vraag aan een (orthodoxe) Rabbijn gesteld over wat rechtvaardigheid betekent.

De vraag kwam van Psalm 32 vers 1. In die psalm gaat het over de vergeving der zonden. In vers 11 wordt rechtvaardigheid ook nog genoemd. Mijn vraag was het volgende: “Of vergeving der zonden en rechtvaardigheid met elkaar te maken hebben. En wat rechtvaardigheid eigenlijk betekent. question-mark-2153514_1280 Volgens de Tora is het heel belangrijk om vergeving van zonden te ontvangen. Betekent het dat iemand dan rechtvaardig is? Kan een onrechtvaardige persoon geaccepteerd worden door God? En wanneer vergeeft God de zonden en hoe weten wij dat?”

Een korte samenvatting van het antwoord.

Een belangrijk woord hier is het Hebreeuwse tsadikiem. Dat betekent rechtvaardigen. Dit komt in het laatste vers voor.

In de bijbelse betekenis is rechtvaardigheid een competentie (vaardigheid) die in dit leven van betekenis is, een leven lang. Temidden van een wereld die in het boze ligt en onder de mensheid waarvan gezegd kan worden dat er niemand rechtvaardig is. (Pred.7:20) Het is het één of het ander: of je doet niets, of je doet goed maar bent besmet met zonden. Dat laatste is rechtvaardig leven. Rechtvaardigheid is geen staat (In het OT) maar een vaardigheid. Precies de letterlijke betekenis van het Nederlandse woord: recht vaardig.

In vers 6 staat gaat het over chassidiem, dat betekent vromen of heiligen. Dat is een hogere status die iemand kan hebben.

Er zijn eigenlijk drie niveaus van vroomheid:

  1. Tsadiek – een rechtvaardige
  2. Jashar – een oprechte
  3. Chassied – een vrome/heilige

Al deze toestanden betreffen alleen mensen die door God verlost zijn.

Een chassied is iemand die verder kijkt dan de letter van de wet. De wet heeft voor hem ook een geestelijke betekenis. Een betere uitdrukking volgens de Rabbijn is dat zo iemand niet achter de letter van de wet kijkt, maar in de letter van de wet.

Een chassied wordt getekend door rechtvaardigheid.

Chassied is een hogere status dan rechtvaardige.

Maar het allerbelangrijkste waar het in dit leven om gaat is dat iemand aangenomen wordt door God als zijn kind. En daar is maar één houding voor mogelijk en voor nodig. Dat is bekering. Terugkeer tot God. Overgave aan God. Erkenning van schuld. Berouw over schuld. En een hartelijke volledige overgave dit voor altijd van zins te zijn.

(Zie ook de bekende punten van Maimonides.)

Een rechtvaardige zijn is niet een bepaalde staat waarin iemand staat. Hij wijst op spreuken 24:16: “Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.” Een rechtvaardige zondigt ook, hij valt daardoor. Maar hij zal weer opstaan. En elke val zorgt voor kansen om er beter uit te komen.

Aldus de Rabbijn.

Er volgde nog een heel stuk over bekering. Ik hoop dat ook nog eens weer te geven.

Paulus’ doel met zijn brief aan de Romeinen

In mijn bijbel stond boven het tweede hoofdstuk van Romeinen: “Onboetvaardigheid der Joden”. Ik denk dat dit niet goed is. Er wordt dan een verkeerde uitleg gesuggereerd. Dat triggerde mij om er iets over te schrijven.

Ik heb het even gechecked, het gaat om een Statenvertaling van uitgeverij Jongbloed. Ik heb er een Statenvertaling van uitgeverij GBS bij gepakt en die geeft het net iets genuanceerder weer: “Gods oordeel ook over de Joden”. Vooral het woordje “ook” geeft aan dat het in principe over iedereen gaat. En zo is het inderdaad. Desalniettemin gaat de vinger naar de Joden. En ik denk dat dit hier niet zo moet zijn.

remb_paulus_gevang_grt

Want wie spreekt Paulus als eerste aan? Zoals elke brief een (kern)boodschap heeft en specifiek geadresseerde, zo heeft de brief aan de Romeinen dit. Dus aan wie schreef Paulus en wat schreef hij. Het klinkt misschien een beetje gek, maar Paulus was echt een manager. Hij was super goed in het aansturen van de nieuwe g

emeenten die overal hard aan het groeien waren. En ik vind het altijd heel bijzonder dat Paulus in die tijd zo goed wist wat er in de gemeenten speelde. Waarschijnlijk door het goede netwerk wat het Joodse volk toen (in de verstrooiing) had.

Paulus wist ook goed wat er in de gemeente van Rome aan de hand was. Beter dan dat wij dat weten heb ik het idee, anders zou je niet zo’n kopje boven de tekst plaatsen.

Wat was er aan de hand in de gemeente van Rome rond het jaar 57 toen Paulus zijn brief schreef? Een stukje geschiedenis. De gemeente van Rome bestond al best lang voor die tijd. Want de eerste “christenen” (wat toen natuurlijk allemaal Joden en enkele jodengenoten waren) die in Rome kwamen waren mensen die in Jeruzalem geweest waren om het pinksterfeest te vieren. Die kwamen terug met de nieuwe boodschap, het evangelie. Dit gebeurde allemaal onder de Joden, in de synagogen. Vanaf het jaar 30. De Heilige Geest was toen nog niet op de heidenen gekomen. Dat gebeurde pas rond het jaar 37 bij Cornelius. (Hand.11) En pas rond het jaar 42 begon men het evangelie aan de heidenen te verkondigen. (Hand.11:20-24)

De “christelijke” gemeente van Rome was in het begin een typisch joodse gemeente die volgens de wet van Mozes leefde en geloofde dat Jezus de Messias was. Zeker de eerste 10 jaar ontwikkelde zich een gemeente onder de vrome Joden (want die waren daar mee bezig en gingen naar Jeruzalem etc.) die uitsluitend Joods was en de niet-joden die zich daarbij voegden waren jodengenoten, ook wel godvrezenden genoemd in die tijd. Die leefden naar de Noachidische geboden. Diegenen die zich tot het jodendom voegden, bekeerden zich daartoe en werden Joods. Zo zag de gemeente van Rome eruit in het begin.

Maar daar kwam verandering in. Bij het edict van Claudius (49 CE) werden alle joden uit de stad Rome verdreven. Hieronder waren ook gelovige Joden, die samen met niet-joodse gelovigen in de joodse gemeenten, in de synagoge verkeerden. Na de tijd van Claudius’ dood in 54 mochten de Joden terugkeren, maar vele joodse gelovigen konden niet meer terug naar hun synagogen vanwege interne onenigheid. De gelovigen kwamen toen samen in huisgemeenten, zoals dat gebeurde bij Priscilla en Aquila (Rom.16). Eind jaren 50 kwamen er door het evangelie meerde niet-joden bij. En deze gelovigen begonnen zich te verheffen boven de joodse gelovigen.[1] Er kwam meer en meer afscheiding van de joodse gemeenschap. Zo was er een gemeente waarin de joodse Priscilla en Aquila verkeerden die afgezonderd was van de synagoge. Deze gemeente leunde van oudsher nog sterk op de Torah. De joodse gelovigen in die gemeente hielden de wet, maar door de sterke nadruk van het evangelie op de niet-joodse gelovigen die niet onder de Torah verkeerden (Hand.15), werden zij beschouwd als de “zwakkeren”. (Rom.14:1-15:13) Een groot deel van de niet-joodse gelovigen vond het b.v. niet meer nodig voor de joodse gelovigen om de spijswetten te onderhouden. (Zoals in de brief aan de Romeinen is op te merken.) Dit is de situatie van de gemeente van Rome waar Paulus aan schreef.

In de brief spreekt Paulus beide groepen aan, joodse en niet-joodse gelovigen. Waarbij opgemerkt dient te worden dat hij voornamelijk de niet-joodse gelovigen aanspreekt die in de meerderheid waren. En Paulus weet van de discussies die er zijn tussen diegenen die de wet hielden en zij die dit niet nodig achtten. Daar wil hij helderheid in geven en dat doet hij door beide groepen erop te wijzen dat de rechtvaardigmaking voor beiden een hoger en belangrijker doel is dan waar de discussies over gaan. Vandaar dat rechtvaardigmaking een belangrijk onderwerp is geworden in de brief. Maar het hoofddoel van de brief kan heel goed zijn het rechtzetten van de onderlinge verhoudingen binnen de gemeente. Dat was de eerste motivatie van Paulus. (Natuurlijk is de rechtvaardigmaking een belangrijk algemeen onderwerp geworden.)

Paulus leidt zijn brief in met te wijzen op met wie hij te maken heeft. Dat zijn eerst de goddelozen (Rom.1:18-32), dan de niet-joodse gelovigen (Rom.2:1-16), en dan de joodse gelovigen (Rom.17-29).

Als we zo het eerste gedeelte van Romeinen 2 gaan lezen, dan moeten we er niet boven zetten dat het Gods oordeel over de (gelovige) Joden is, maar Gods oordeel over de (gelovige) niet-Joden. En wat is het dan wat ze te horen krijgen? Dit: “waarin gij een ander oordeelt, oordeelt gij uzelven.” (Rom.2:1) Ze kunnen dus beter niet op een rechterstoel gaan zitten. Want in wezen heeft dat slechts tot het volgende tot gevolg: Ze “vergaderen daarbij toorn als een schat”. En dat wordt vergolden “in de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods”. Want “een iegelijk wordt vergolden naar zijn werken.” Daarvan moesten ze zich wel bewust zijn ten opzichte van de kritiek die ze gaven op hun joodse broeders die volgens de wet probeerden goed te leven en goede werken te doen. Want die het goede werken (Rom.2:10) en de daders der wet (Rom.2:13) zullen heerlijkheid en eer en vrede vergolden worden. (Rom.2:10)

Vervolgens spreekt Paulus de joodse gelovigen aan vanaf vers 17. Ook zij krijgen dezelfde waarschuwing, maar dan naar hun eigen situatie vertolkt. Zij kunnen niet op de wet rusten en de besnijdenis. Paulus bereid ze allen (Joods en niet-Jood/Griek) voor om ze te laten hunkeren naar de ware rechtvaardigmaking. En dan besluit Paulus zijn waarschuwing door erop te wijzen dat hetzij joodse- of niet-joodse gelovige, diegene een ware Jood is, een ware Godslover, die het in de Geest is onder de besnijdenis van het hart. (Rom.2:29)

Als Paulus dan deze beide groepen die hij aanspreekt (joodse en niet-joodse gelovigen) als schuldenaars voor God heeft neergezet, dan is het opvallend dat hij direct opkomt voor de joodse gelovigen. (Rom.3:1-2 “Wat is het voordeel van de Jood: vele”. En verderop in hfdst. 9-11, waar hij wijst op de beloften voor het gehele joodse volk.) De joodse gelovigen die zich aan de wet hielden kregen het immers hard te verduren sinds de niet-joodse gelovigen het voor het zeggen hadden, gesteund door joodse gelovigen die meenden zich niet meer strikt aan de wet hoeven te houden. De joodse gelovigen waren een minderheid geworden en behoorden tot de zwakkeren.

Maar na zijn positieve woorden over de Joden vat hij het nog eens samen in vers 9: “Zijn wij (Joden) uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren (nl. die hij net aangesproken heeft in hfdst.2, joodse en niet-joodse gelovigen) beschuldigd beiden Joden en Grieken , dat zij allen onder de zonde zijn; Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een.”

En dan komt Paulus in de volgende hoofdstukken t/m 8 met zijn rede over de rechtvaardigheid Gods, die nieuw geopenbaard is geworden in Jezus. (Rom.3:21)

Zoals al aangegeven schreef Paulus met een bepaald doel om de gemeente ook te sturen. Daarbij schreef hij aan de overwegend niet-joodse “heidense” gemeente als de “apostel der heidenen”. En daarbij kwam hij op voor de Joden. Hij wilde de verhouding tussen joodse en niet-joodse gelovigen goed maken. Dat is duidelijk te zien als hij het heeft over de spijswetten in Rom.14:1-15:13. Hij wees erop dat die verschillen (volgens de wet leven of niet) eigenlijk niet uit maakten. Hij noemt de joodse gelovigen die vasthouden aan de wet “zwakken in het geloof”. (Rom.14:1) Maar wat belangrijk is te beseffen, is dat Paulus het verschil tussen Jood en niet-Jood overeind laat. Zo stelt hij: “Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft. Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.” Met andere woorden, wat voor de één onrein is, is voor de ander niet onrein. Wat voor een Jood onrein is (omdat hij dat zo acht vanwege zijn traditie/Torah), hoeft voor een niet-jood niet onrein te zijn.

__________
[1] Donfried, K. P., & Richardson, P. (1998). Judaism and Christianity in first-century Rome, p.126 en 176-177.

De grote verdrukking

“O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.” (Jer.30:7)

Er staat: “dat zijns gelijke niet geweest is”. Dat betekent dat er maar één zo’n dag (of periode) kan zijn in de menselijke geschiedenis. Daarom wijst hetgeen wat Jezus zegt op hetzelfde: “Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.” (Matth.24:21) En in het boek Openbaring wordt het ook aangehaald: “Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.” (Openb.7:14)

Er zijn veel verklaringen over. Om aan te duiden in welke tijd dit precies zal plaatsvinden is natuurlijk niet te doen. Wat wel duidelijk is, is dat na deze meest ernstige verdrukking de verlossing zal plaatsvinden. Dan komt de Messias (terug).

Persoonlijk denk ik dat het zeker ook een profetische betekenis heeft in de zin van dat het voor een ieders leven van toepassing kan zijn. En in principe begon met de verwoesting van de tempel in het jaar 70 de vervulling al van deze profetie. Maar na verloop van tijd zal er een ultieme vervulling zijn. Een samenvatting van de vervulling. “Wat zijns gelijke niet geweest is”. Dan komt er ook een eind aan.

In de tijd van “Jacobs benauwdheid” horen we “een stem der verschrikking; er is vrees [terreur] en geen vrede.” Jezus heeft het over “valse christussen en valse profeten” die er in die tijd zullen zijn. Jacobs benauwdheid is een tijd van de ergste weeën van de bevalling. In die tijd is “de waarheid Gods veranderd in de leugen”. (Rom.1:25) De wereld op zijn kop. Dan is het geen vrouw die baart, maar een man. “Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?” (Jer.30:6)

Maar gezegend zal de geboorte zijn! Want alsdan “zullen zij dienen den HEERE, hun God, en hun koning David, dien Ik hun verwekken zal.” (Jer.30:9)

עם ישראל חי

Voor de engelstalige lezers:

https://en.wikipedia.org/wiki/Great_Tribulation

http://www.biblestudytools.com/commentaries/revelation/introduction/jacobs-trouble-and-the-great-tribulation.html

http://www.jewishroots.net/library/end-times/jacobs-trouble.html

De melaatse Messias

Naar aanleiding van een artkeltje van FFOZ het volgende.

Er is een bijzondere verklaring door een zekere Rabbijnen school, te vinden in de Talmud, dat de Messias zich onder de melaatsen zou bevinden. Ze citeren daarbij Jes.53:4: “Waarlijk, Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; doch wij achtten Hem, dat Hij geplaagd, van God geslagen en verdrukt was.” (b.Sanhedrin 98b)

Dat Hij onze smarten heeft gedragen kunnen we ons gemakkelijk voorstellen. Maar onze ziekten? Letterlijk opgevat zou Hij dan ook ziek moeten zijn geweest om onze ziekten te dragen? Deze Rabbijnse verklaring vat het blijkbaar wel zo op. Ook dat lijden zou Zijn deel zijn geweest.verdrietig

In de Christelijke traditie wordt er eigenlijk (voor zover ik weet) nooit gesproken over of verwezen naar een zekere melaatsheid van de Messias. Het komt ons misschien ook wat vreemd over, maar dat is gezien deze tekst helemaal zo vreemd niet. Bovendien is dit toch wel de meest sprekende tekst over de lijdende Messias uit het gehele Oude Testament, misschien wel de enige. Het is dan ook belangrijk wat deze (Hebreeuwse) tekst zegt.

In de genoemde Talmoed passage staat: “En de Rabbijnen zeggen: ‘Zijn naam is De Melaatse … zoals er staat in Jes.53:4: ‘doch wij achtten Hem, … van God geslagen (nagua, נגוע) …” Het Hebreeuwse werkwoord geslagen wordt in de bijbel ook gebruikt om aan te geven dat iemand met melaatsheid is ‘geslagen’. Melaatsheid was een ziekte die altijd een geestelijke betekenis had. Het was een gevolg van de zonde. Een mens werd zo door God met deze ziekte geslagen. Het was een directe straf op de zonde. Door de zonde werd iemand melaats en moest op een speciale manier gereinigd worden door de priester. Als er dan staat “Hij heeft onze krankheden op zich genomen” en dat hij geacht werd “van God geslagen” te zijn, dan ligt de gedachte van melaatsheid voor de hand. Hij was het misschien niet, maar “wij achten Hem” als zodanig.

Melaatsheid bestaat nu niet meer. De tempel en de offerdienst ook niet meer. Zou melaatsheid ook vervuld zijn door Jezus? Het lijkt er wel op.

Inmiddels is de Messias rein en verhoogd in de hemel. En in Hem kunnen wij ook rein zijn.

Een profetische blik op Lo-ammi (II)

De Kerk, die door God als andere vrouw werd aangenomen.

Hosea profeteerde voor het volk Israel. Maar naast de profetie van Hosea was er een andere ontwikkeling. God nam een volk uit de heidenen aan toen Hij Israel verliet. Dit wordt door Hosea niet vermeld hoewel de basis hiervoor wel in zijn profetieen wordt gegeven. Toen Jezus kwam brak de tijd aan dat de Heere letterlijk een andere natie verkoos. Net zoals Hosea een andere vrouw verkoos. Deze profetie is te vinden in het lied van Mozes. De Heere zou een volk verkiezen wat geen volk was, een “niet-volk”. (Deut.32:21) Dit niet-volk is een ander volk dan Israël. In het lied van Mozes ligt de profetie dat God naar een ander volk om zou zien omdat Israël afgoderij (hoererij) pleegde. “Zij hebben Mij tot ijver verwekt door hetgeen geen God is; zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun ijdelheden; Ik dan zal hen tot ijver verwekken [jaloers maken] door diegenen, die geen volk zijn; door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.” (Deut.32:21) Op deze tekst (Rom.10:19) bouwt Paulus zijn betoog in Rom.9-11, over de grote vraag waarom God zich tot de heidenen wendt en niet tot het volk Israël, waar het gaat om de verlossing door de Messias.

Hoewel God tijdelijk (wat de “de tijden der heidenen” wordt genoemd, Luk.21:24) naar een ander volk omkeek, bleef Israël het volk Israël. Ook al verkeerden er vreemdelingen en bijwoners en erger nog bastaarden onder het volk en hoe zwaar ze ook alles verzondigd hadden. Het is bijzonder duidelijk dat God trouw blijft aan Zijn verbond met het volk Israel ondanks alles.

In het Nieuwe Testament wordt er twee keer naar de profetie van Hosea verwezen. Paulus in Romeinen 9:25 en Petrus in 1 Petrus 2:10. Beide keren wordt Israël bedoeld, het Joodse volk. We moeten de profetie van Hosea niet verwarren met de heidenen van de Christelijke kerk. De heidenen waren natuurlijk ook een niet-Mijn-volk. En ook zij werden Mijn-volk. Maar dit valt buiten de context van de profetie van Hosea. Althans het zou te ver gaan als de Christen-heidenen de plaats van Israel zouden innemen. Men zou hier enige grond kunnen vinden voor de vervangingsleer, zoals volgens de Rabbijnse overlevering God Israël inruilde voor een andere natie. (Pesachim 87a) Maar dat is dan nog altijd een tijdelijke situatie.

Paulus wijst op het bestaansrecht van het volk Israël zoals Hosea het beschreef. In Rom.9 wijst hij op het “voornemen Gods, dat naar de verkiezing is” (Rom.9:11) en dat de rechtvaardigheid uit het geloof is. (Rom.9:30) Geen etnische afstamming, geen voldoening aan de wet, maar verkiezing en geloof maakt het ware Israël uit. De Rabbijnen wijzen dan ook op de veelkleurigheid van de Israëlieten, net als Paulus. Paulus heeft het over het Joodse volk wat “Hij ook geroepen heeft, namelijk ons [Joden], niet alleen uit de Joden, maar ook uit de heidenen.” als hij de profetie van Hosea aanhaalt: “Gelijk Hij ook in Hosea zegt: Ik zal hetgeen Mijn volk niet was, Mijn volk noemen, en die niet bemind was, Mijn beminde. En het zal zijn, in de plaats, waar tot hen gezegd was: Gijlieden zijt Mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.” (Rom.9:24-26) De profetie van Hosea slaat op het volk Israël en niet op de kerk uit de heidenen. Paulus gebruikt dit om aan te tonen dat de rechtvaardigheid van Israël niet uit de wet is en het verbond.

Israël blijft bestaan, ook in de tijd van Paulus en de tijd van de christelijke kerk. Maar het lag er al in besloten dat niet-joodse mensen er deel van konden uitmaken. En dan nu gebaseerd op de profetie van het lied van Moses, zegt Paulus dat de Heere nu buitenom Israël Zich een volk verkiest. En daarmee breekt er vanaf Paulus’ tijd de daaropvolgende tweeduizend jaar een nieuwe tijd aan van verwerping van Israël en aanneming van een nieuw volk. (Rom.11:11-15) Een volk wat geen volk is, maar uit verkiezing en geloof wordt aangenomen. Dit nieuwe volk zal samen met het (nog aan te nemen, Rom.11) volk Israël “leven” (Ez.47:21-22, Joh.11:25) onder “één God” (Zach.14) en het “aardrijk beërven”. (Ps.69) Dit is Gods volk wat in Zijn koninkrijk zal leven.

Ook Petrus bedoelt het volk Israël wanneer hij Hosea citeert. Want hij schrijft aan Joden. Dit heb ik al eerder aangetoond. (Zie hiervoor mijn blogpost.)

Zo is het dan volgens Paulus waar dat God Israël inruilde voor een andere natie. Zoals ook de  de Rabbijnse overlevering dat aangeeft. (Pesachim 87a)

Israel. Het was niet zo’n best volk. Is voor lange tijd verlaten, maar uiteindelijk zal het goedkomen. Omdat God zich aan Zijn verbond houdt.

Een profetische blik op Lo-Ammi

Het volk Israel in de status van Lo-ammi

Hosea is de eerste van de profeten volgens Rabbijnse overlevering, en werd ook als de grootste geacht van de profeten van zijn tijd waaronder Jesaja. (Talmud B. Pesachim 87a, Seder Olam hfdst.20) Hij heeft de meest pakkende profetie over het volk. (Chabad, Rashi) Er was echter weinig geschreven werk van Hosea beschikbaar, in tegenstelling tot Jesaja, Jeremia en Ezechiël, omdat zijn profetieën minder in omvang waren. (Bava Basra 1b)

Hosea komt met een bijzondere profetie over Israël. Deze heilige profeet moest met een hoer trouwen om de profetie te verwezenlijken. Dit had alles met het gedrag van het volk Israël te maken. Zij waren van God afgehoereerd, en Hosea zou de toekomst van dit volk afbeelden dat voorlopig niet beter werd. Maar door Gods trouw zou het wel goed aflopen.

Er zijn twee verklaringen gangbaar bij zowel joodse als christelijke verklaarders. De een stelt dat de profetie zinnebeeldig moet worden gezien, die ander ver

heart-1833410_1920

klaart het letterlijk dat Hosea met een hoer is “getrouwd” geweest. Ik voeg me bij de laatste. Het is niet vreemd dat een profeet fysiek bij een profetie betrokken wordt. Ezechiël moest 430 dagen op zijn zij liggen om Jeruzalem uit te beelden. Jeremia moest een akker kopen om de ballingschap en Gods trouw uit te beelden. Hemelse en wereldse zaken hebben met elkaar te maken. En de heilige profeten zoals Hosea waren ook kinderen van hun tijd. Ze konden zich niet verheffen bovenuit de wereldse toestand van het volk Israël. Ze waren deel van het volk. Net zoals God als Messias afdaalde en deel van het volk werd. Profetie is meer dan slechts een theologische verhandeling van theorieën.

De zin van de profetie is dat Israël als ontrouw volk verloren zou gaan, met name de tien stammen die in de volkeren zouden opgaan, en het tweestammenrijk Juda zou in ballingschap gaan. Maar ondanks alles, God zal Israel en Judah genadig zijn.

In de situatie die Hosea profeteert zou Israël als geheel gaan bestaan uit o.a. bastaard kinderen, kinderen uit hoererij verkregen. Nu was het op zich niet vreemd dat Israël ook bestond uit mensen die vreemdelingen waren. Vreemdelingen en bijwoners was al een bekend begrip. De uittocht uit Egypte ging al vergezeld met vele Egyptenaren. Zij werden besneden en gingen op in het volk Israël. Het volk Israël is nooit een zuiver etnisch volk of ras geweest. Zo kan het ook nooit aangeduid worden. Maar het bijzondere van Hosea hier is dat een rechtvaardige van Israël zichzelf gaat verbinden met een onrechtvaardige, met een hoer. Dat is de tegenovergestelde weg van Israel’s roeping. Op die manier is er geen houden meer aan, want dan zullen de kinderen niet meer rechtvaardig zijn om onrechtvaardigen te onderwijzen. Zo’n volk zou spoedig ten onder gaan.

Maar ondanks al deze buitenechtelijke toestanden blijft de verbondstrouw van God bestaan over het volk Israël. Bovendien verandert het volk niet, maar het blijft het volk van Jakob. Het blijft het volk wat uit Egypte geroepen is en de Torah kreeg als verbondssluiting.

In hun ontrouw krijgen ze voor lange tijd de status Lo-ammi (Niet mijn volk) en de status Lo-ruchama (Niet ontfermde). Nochtans is het het zaad wat de Heere dienen zal. “En Ik zal ze Mij op de aarde zaaien, en zal Mij ontfermen over Lo-ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-ammi: Gij zijt Mijn volk; en dat zal zeggen: O, mijn God!” (Hos.2:23) Het zal Israël blijven: “Mijn volk en Mijn ontfermde”.

De tijd dat dit volk Israël “niet Mijn volk” genaamd wordt is natuurlijk profetisch verborgen. Maar een heenwijzing vinden we hier: “Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.” (Hos.6:2) Aangezien een dag tweeduizend jaar is in hemelse tijdrekening (Ps.90), mogen we hieruit opmaken dat het volk Israël in de christelijke periode van tweeduizend jaar de status Lo-ammi heeft. Daarna volgt dan een derde dag die in de wereld chronologie de sabbat (zevende) genaamd kan worden of oordeelsdag die ook een duizendjarige periode genoemd wordt. (Openb.20) Die dag zal Israël “voor Gods aangezicht leven”. Dat noemt Paulus “het leven uit de doden”. (Rom.11)

De eerste profetische Godsspraak werd op deze manier over het volk uitgesproken en tekende haar situatie waarin ze terecht was gekomen door de afgoderij. “Het woord des HEEREN, dat geschied is tot Hosea” (Hos.1:1) Letterlijk: In het begin geschiedde het woord des Heeren tot Hosea. Israël verviel onder de volkeren en raakte haar Man, haar God kwijt. Volgens de Rabbijnse overlevering ruilde God hier Israël in voor een andere natie. (Pesachim 87a)

Hosea had nog een afzonderlijke bijzondere profetie. Hij moest een vrouw zoeken die bij een andere man hoorde die haar liefhad. (Hos.3:1-2) Hosea kocht zo’n vrouw. Die vrouw pleegde dus overspel. Die vrouw is het beeld van Israel. Israel betekent hier het gehele Joodse volk. Nu volgde er een andere profetie: “Gij [Israel] zult vele dagen na mij blijven zitten”… zonder man. “Want de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten, zonder koning, en zonder vorst, en zonder offer, en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.” (Hos.3:3-4)

In deze situatie is Israel terecht gekomen toen de Messias Jezus kwam en “werd uitgeroeid” (Dan.9). De tempel werd verwoest en het volk Israel had geen plek meer om te leven op aarde. Hos.5:15: Ik zal heengaaan … totdat zij zichzelven schuldig kennen”. In deze situatie blijft Israel totdat “zij wederkeren” (Hos.6:1) als twee dagen voorbij zijn gegaan. Zo’n 2000 jaar.