Joden, Jodengenoten, Godvrezenden en heidenen

Uit hen ontstond de kerk.

Lukas noemt in zijn boek Handelingen vier onderscheiden soorten mensen die deel uitmaken van de gemeente van Jezus Christus. Het begon met Joden en Jodengenoten, (Hand.2:10) daarna (een aantal jaren later, Hand.10) kwamen er Godvrezenden en heidenen bij.

Joden

Vrij eenvoudig wie dat waren. Je was een Jood als je uit een Joodse moeder geboren was. Daar begon de christelijke gemeente mee. Jezus, de Apostelen en andere joodse bekeerlingen tot Jezus.

Jodengenoten480px-people_icon-svg

De Statenvertalers gebruikten dit woord. Waar in het Grieks het woord “proseliet” staat, werd dit als “jodengenoot” vertaald. (Mt 23:15; Hd 2:10; 6:5 en 13:43) Dit waren heidenen die waren overgegaan tot de Joodse godsdienst. Het waren dus eigenlijk ook Joden, maar omdat zij proselieten waren, werden ze hun leven lang gekenmerkt door deze status van proseliet. Het Hebreeuwse begrip daarvoor is: Ger. (Vreemdeling) De Septuaginta vertaalt het woord Ger ook met proseliet. Jodengenoot staat dus voor het Hebreeuwse begrip Ger. Een Ger was besneden en maakte volledig deel uit van het Israëlitische volk.

Godvrezenden

Dit waren mensen, heidenen, die sympathiseerden met de Joden. Zij deden mee in bepaalde mate met de joodse gebruiken en tradities, maar waren niet besneden. Zij waren niet Joods zoals de Jodengenoten. God-fearer in het Engels. De kamerling van Candáce en Cornelius van Caesarea waren zulke mensen.

Heidenen

Alle anderen die niet in eerstgenoemde drie categorieën vallen. Gojiem in het Hebreeuws. Maar Godvrezenden zijn ook gojiem, ze zijn immers geen Jood. Gojiem is een Hebreeuws begrip voor alle niet-Joden.

Binnen de joodse godsdienst is het onderscheid tussen Jood en niet-Jood belangrijk. Joden en Jodengenoten zijn Joods, Godvrezenden en heidenen zijn niet-Joods. Dit onderscheid is van belang, want bij de beschrijving van het pinksterfeest heeft Lukas het over Joden en Jodengenoten. (Hand.2:10) Het pinksterfeest was dus nog een joodse aangelegenheid. Pas later kwamen er niet-Joden bij, Godvrezenden en Heidenen. Zo rond het jaar 37 kwam op deze mensen de Heilige Geest, te beginnen met Cornelius. (Hand.10) Het Pinksterfeest (feest der eerstelingen) werd vervuld aan de Joden. Het loofhuttenfeest (feest der inzameling) moet nog vervuld worden. Maar “de zaligheid is de heidenen geworden”, Rom.11:11

Advertenties

Torah leren! Aldus Paulus aan Joodse Christenen

Over het algemeen spreekt Paulus in zijn brieven niet-Joden aan. (Christenen uit de heidenen) Maar een enkele keer horen we hem spreken tot zijn joodse broeders. Zo ook aan de Hebreeën, waarvan hij verwacht dat ze een zekere kennis van de wet hebben. In Paulus zijn andere brieven hoor je de aansporing om gerechtigheid uit de wet te leren niet. Eerder het tegendeel. Maar in zijn brief aan de Hebreeën geeft Paulus zijn joodse medegelovigen ervan langs omdat ze te weinig gerechtigheid hebben geleerd. Te weinig Torah studie, bedoelt een Jood zoals Paulus dan te zeggen. Vanwege de tijd (de leeftijd), zegt Paulus, hadden ze leraars der wet moeten zijn, geleerde Rabbijnen. Maar nu zijn ze nog kinderen in de zaken van het onderscheid tussen goed en kwaad. Ze willen de nieuwe gemeente wel onderwijs geven, maar ze hebben het zelf eerst nodig. Ze moeten meer les krijgen van de Joodse wetgeleerden.baismedrashinterior

“Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, [als] die melk van node hebben, en niet vaste spijze. Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind. Maar der volmaakten [volwassenen in kennis] is de vaste spijze, die door de gewoonheid [praktisering] de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.” (Heb.5:12-14)

Dat Paulus zegt: “dat men u lere”, wie zou hij dan met “men” bedoelen? Het is meervoud, dus het moet op meerdere mensen slaan die onderwijs kunnen geven. Dat zijn in die tijd joodse geleerden. Zij gaven onderwijs in de wet, net als Rabbijn Gamaliel aan Paulus. (Hand.22:3)

Het moet Paulus ook wel tot droefheid gestemd hebben dat hij onder zijn joodse broeders, de Hebreeën, geen “leraars van het woord der gerechtigheid” tegenkwam. En het geeft ons te kennen dat de “tijden der heidenen” waren aangebroken met de dood en opstanding van Jezus en niet de tijd van de verlossing van de Joden.

Overigens bedoelde Paulus natuurlijk zeker niet dat ze enkel moesten gaan studeren met hun menselijk verstand. Dat brengt hoogmoed en misverstanden. Maar de wijsheid die de Heilige Geest paart aan het verstand door de grote Profeet Jezus, die moet door het woord verkregen worden. Verlichting van het verstand. Dat geeft de Joden “die de woorden Gods zijn toevertrouwd” (Rom.3:1) een bijzondere roeping. Wat dat betreft ligt er nog een bijzondere belofte, wanneer de Geest op hen zal uitgestort worden. (Zach12:10) En tot een licht der volken zullen zijn. (Jes.2 en 51:4)

 

Rabbijn Ignatz (Izak) Lichtenstein

Lichtenstein’s vroege jaren

Rabbijn Lichtenstein werd geboren in 1824 en werd nog voordat hij 20 jaar was rabbijn. Nadat hij in verschillende gemeenten in Noord Hongarije had gediend, werd hij opperrabbijn in het district Tapioszele voor zo’n 40 jaar.DasLicht

Eerder in zijn carriere gebeurde het dat een van zijn leraren van de gemeentelijke school van zijn district hem een Duitse bijbel liet zien. Terwijl hij bladerde viel zijn oog op “Jesu Christi.” Hij werd verschrikkelijk boos en wees de leraar scherp terecht voor het bezitten van zoiets slechts in zijn district. Hij pakte het boek en smeet het door de kamer heen waarna het terecht kwam achterin een boekenplank achter wat andere boeken waar het zo’n 30 jaar bleef liggen.

Tisza Eslar affaire en Franz Delitzsch

In April van het jaar 1882 brak een grote golf van antisemitisme uit in Hongarije wat zijn hoogtepunt bereikte in wat nu genoemd wordt de “Tisza Eslar affaire”. Het werd echter aangetoond dat de lastering vals was, zonder grond zoals gewoonlijk, door een grote groep prominente Christelijke leiders waaronder in het bijzonder dr. Franz Delitzsch, een bijbelse wetenschapper en professor aan de Leipzig Universiteit, die met het voorstel kwam om het Joodse volk te verdedigen tegen deze vreemde laster.

Deze defensieve daad van Delitzsch, zo’n prominent Christen, speelde een hoofdrol in rabbijn Lichtenstein’s herbeschouwing van Jezus en het Nieuwe Testament.

“In de door Delitzsch geschreven artikelen waarin hij opkwam voor de Joden in Hongarije, kwam ik vaak passages tegen waar over Jezus werd gesproken waar Hij vreugde tot de mensen bracht, de Koning van de vrede en de Verlosser; en Zijn Evangelie verheerlijkt werd als een boodschap van liefde en leven voor alle mensen. Ik was verwonderd en durfde mijn ogen niet te geloven toen ik het Nieuwe Testament bemerkte wat ik zo’n 30 jaar geleden boos van een Joods leraar genomen had. Ik begon te bladeren en las. Hoe kan ik de indruk uitdrukken die ik toen kreeg? Niet de helft is mij verteld van de grootheid, de kracht en heerlijkheid van dit boek, wat voorheen voor mij verzegeld was. Het leek alles zo nieuw en toch kwam het mij voor als een oude vriend die zijn oude stoffige kleding opzij had gelegd en nu verscheen in feestelijke kleding zoals een bruidegom in bruidspak of bruid versierd met juwelen.”

Lichtensteins nieuwe moed

Voor zo’n twee of drie jaar heeft hij zijn overtuigingen geheim gehouden. Maar nadat de tijd verstreek begon hij voorzichtig sommige van zijn vreemde en nieuwe leerstukken in de synagoge te verkondigen, wat bij zijn toehoorders interesse wekte en verbazing. Maar op het laatst kon hij zich zelf niet meer inhouden. Op een shabbat, toen hij preekte over de gelijkenis van Jezus over de witgepleisterde graven, kwam hij er openlijk voor uit dat het onderwerp kwam van het Nieuwe Testament. En hij sprak van Jezus de ware Messias, de verlosser van Israel.

Hij bundelde zijn ideeën in drie publicaties die spoedig achter elkaar verschenen. Deze veroorzaakten een enorme opschudding binnen de Joodse gemeente, niet alleen in Hongarije, maar door heel Europa. Dit was niet verwonderlijk, want hier was een oude hooggeachte rabbijn in zijn ambt, die zijn volk toeriep met vurige woorden om zichzelf te voegen onder de banier van de lang verachte Jezus van Nazaret, en om Hem te eren als de ware Messias en Koning.

Tegenstand en vervolging

Direct brak er een storm van vervolging los. Vanaf de Joodse kansel en de pers werd hij overal in de ban gedaan. En hij die slechts een paar weken daarvoor nog bij de meest hooggeachte leiders en leraren hoorde, werd nu omschreven als een schande en schade voor de natie. Valse beschuldigingen werden over hem verspreid, en op een gegeven moment moest hij verschijnen voor het rabbinaat in Boedapest.

Toen hij de hal binnenkwam werd hij begroet met de kreet: herroep u! herroep u! En Rabbi Lichtenstein zei: “Mijne heren! Ik ben van harte bereid om mijzelf te herroepen als jullie mij kunnen overtuigen dat ik fout ben.”

Opperrabbijn Kohn stelde een compromie voor. Rabbijn Lichtenstein mag geloven wat hij wil in zijn hart, als hij maar ophoud met preken over Jezus. De rabbijnse synode zou dan een document opstellen waarin staat dat wat Rabbijn Lichtenstein schreef was gedaan in een tijdelijke toestand van waanzin, en alles wat hij dan moest doen was zijn handtekening eronder zetten. Rabbijn Lichtenstein antwoordde kalm maar verontwaardigd dat dit toch wel een heel vreemd voorstel was. Daarop antwoordden zij dat hij afstand moest doen van zijn positie en zich formeel moest laten dopen om daarmee te betuigen dat hij zich afscheidt van het Joodse volk. Maar hij antwoorde en zei dat hij niet van zins was om zich bij de kerk te voegen en dat hij in het Nieuwe Testament het ware Jodendom gevonden had, en van plan was om bij hen te bijven als voorheen en te leren in de synagoge.

En zo deed hij… ondanks zware vervolgingen en aanklachten. Vanuit zijn officiele positie als regionale rabbijn ging hij voort te preken en te leren uit het Nieuwe Testament. Dit vormde tegelijkertijd een sterk getuigenis naar zijn eigen gemeente en verbondenheid. Alleen die gemeente had te macht hem te ontslaan. Veel druk was er uitgeoefend op die gemeente en kennissen van zijn vrouw waren financieel volledig geruineerd, maar toch bleven ze hun gerespecteerde rabbijn ondersteunen.

Rabbijn Lichtenstein en zijn geschriften werden alom bekend en verschillende kerk en zendelingschappen zochten zijn diensten onder het aanbod van aantrekkelijke gaven, inclusief de Paus. Maar rabbijn Lichtenstein had tot die allen maar één antwoord:

“Ik zal bij mijn eigen volk blijven, ik heb de Messias lief, ik geloof in het Nieuwe Testament, maar ik ben niet geleidt om mij tot het Christendom te voegen. Net zoals de profeet Jeremiah na de verwoesting van Jeruzalem, ondanks de bijzondere aanbiedingen van Nebukadnezar en zijn dienaar, koos om te blijven en te treuren over de puinhopen van de heilige stad, en met de overgebleven broeders die vervolgd worden, zo wil ik ook blijven onder mijn broeders, als een wachter onder hen en om te pleiten en te zoeken met hen om te komen tot Jezus de ware glorie van Israel.”

Lichtenstein bedankt als opperrabbijn van het Noordelijke deel van Hongarije.

Ten laatste, nadat alle mogelijkheden uitgeput waren om de leden van zijn gemeente te redden van een complete ondergang, en omdat zijn gezondheid er heftig onder leed, bedankte hij vrijwillig als plaatselijke opperrabbijn. Hij vestigde zich in Budapest, maar de tegenstand bleef medogenloos. Hij werd gevolgd op straat en zelfs fysiek aangevallen. Zijn kapper kreeg steekpenningen om zijn baard eraf te halen. Zijn huisbaas hield iedereen die hem bezocht goed in gaten en speelde informatie door naar de rabbijnse authoriteiten. Maar ondanks deze felle tegenstand kwamen er Joodse volgelingen van allerlei rang en stand om hem te bevragen en met hem te discussiëren.

Laatste jaren

Rabbi Lichtenstein reisde de volgende twintig jaar naar vele delen van Europa om te spreken over de waarheid zoals hij die zag in de Messias. Maar uiteindelijk vroegen de stormen van kritiek en misverstanden haar tol. Zijn geest echter bleef onverschrokken. In zijn boek “An appeal to the Jewish people” schreef hij:

“Zo wil ik dan als laatste eerlijk en publiekelijk belijdenis doen, wat door diepe overdenkingen en innerlijke moeilijkheden is gekomen; Ja, zo is mijn vaste onveranderlijke overtuiging… als een rabbijn grijs geworden in het ambt, als een oude Jood trouw aan wet, belijd ik dat Jezus de voorzegde Messias van Israel is… waar wij naar uitzien en wiens komst ons volk altijd heeft verwacht, Hij is gekomen! Dit nu is mijn roep van vreugde, wat mijn lippen en pen, zo God het wil, kenbaar zal maken zolang ik leef.”

Onverwachts werd hij ernstig ziek. Realiserend dat zijn einde nabij was zei hij in de tegenwoordigheid van zijn vrouw en de zuster:

“Breng mijn hartelijkste groeten aan mijn broeders en vrienden. Goedenacht mijn kinderen, goedenacht mijn vijanden, jullie kunnen mij nu niet meer verwonden. Wij hebben één God en één Vader van al diegenen die kinderen genoemd worden in de hemel en op aarde, en één Messias die zijn leven heeft overgegeven aan het vervloekte hout voor de verlossing van de mens. Heere, in Uw handen beveel ik mijn geest.”

Op de morgen van Hosjana Rabba, vrijdag 16 oktober 1909 op 85 jarige leeftijd kwam Rabbijn Lichtenstein in de eeuwige zaligheid.

______________________________

Dit artikel is een vertaling van het artikel op het Yinon weblog. (www.messianicjudaism.me/yinon)

Meer van Lichtenstein is te vinden in The Vine of David. (http://vineofdavid.org)

Uitleg van het boek Openbaringen

Isaac Newton zei dat we de profetieën pas echt verstaan wanneer ze zijn vervuld. Dat klopt denk ik. Daarom kun je ook niet zo gemakkelijk zeggen dat de betekenis van Openbaringen zus of zo is. En toch is het de gelovigen gegeven tot beter inzicht en vaster geloof en tot troost.

Je kunt de verschillende visies op Openbaringen onderverdelen in:
– Preterisme (meeste is al vervuld)
– Historicisme (boek Openbaringen beslaat het hele christelijke tijdperk)
– Futurisme (antichrist moet nog komen)
rev.21

Ik schaar me onder de Historicisten. In de lijn van de Reformatie en de Puriteinen.

Voor wie meer over deze drie visies wil weten, zie mijn eerder geschreven notitie daarover.

Hier te downloaden.

De “tijden der heidenen”, Luk.21:24

Er zijn lijnen te trekken vanuit de bijbel die het tijdperk markeren vanaf het begin van het evangelie tot het heden.

Een tekst van de Heere Jezus en van Paulus geeft dit aan.

Jezus: “En zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.” (Luk.21:24)

Paulus: “Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt, bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.” (Rom.11:25)

Wanneer het over de toekomst gaat wordt het vaak een verborgenheid genoemd. Zo ook door Paulus in deze tekst.

Paulus noemt deze periode dat de zaligheid de heidenen is geworden. (In plaats van het volk Israël, Rom.11:11) Dat is dus begonnen met de uitstorting van de Heilige Geest en met Paulus’ prediking. Hij markeert het verder met “totdat”. “Totdat de volheid der heidenen is ingegaan.” Daarna komt dan (volgens de context) de bekering van de Joden en daarmee het herstel van hun land en volk. Hier valt ook te denken aan hun hoofdstad Jeruzalem.earth-3087437_1280

Jezus geeft een soortgelijke aanwijzing, maar hier gaat het niet over de zegen van de heidenen, maar over het oordeel van het Joodse volk. “Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.” Een tijdsindicatie tot troost dat het oordeel niet altijd zal duren. Sommigen zeggen dat deze twee teksten niet in betekenis te combineren zijn. (Sir Anderson, The Coming Prince) Anderen wijzen wel op het verband. (Jewish Annotated New Testament)

Er is een goede reden om aan te nemen dat deze beiden wel op hetzelfde zien. Dat Jezus de Joden toespreekt met de opmerking “tijden der heidenen”, suggereert dat ze bekend waren met dit begrip. Dit geldt ook voor Paulus die waarschijnlijk hetzelfde begrip naar voren brengt, maar dan met wat andere bewoording, nl. de “volheid der heidenen”. Volheid kan hier ook tijd betekenen, en moet het wel betekenen, want anders zou het voor een getal staan, wat dan betekent dat er na de bekering van Israël geen heidenen meer tot de zaligheid zouden kunnen worden gebracht. Terwijl Paulus het tegenovergestelde aangeeft. (Rom.11:12) “Tijden der heidenen vervuld” en “volheid der heidenen” zegt hetzelfde en dit was blijkbaar een begrip onder de Joden in die tijd.

Sommigen menen dat de “tijden der heidenen” zijn begonnen met de Babylonische ballingschap. Maar vergeleken met Deut.32:21, Hand.13:46; 28:28, lijkt dat met de komst van de Heilige Geest voor de heidenen en de verwoesting van de tempel van de Joden, de periode concreter aangeduid kan worden. Het is dan de periode dat God genadig is voor de heidenen, dat Hij zich tot hen wendt.

Zie verder ook mijn eerder gepubliceerd artikel over de tijden der heidenen.

De basis van het christendom in de Torah: Paulus’ aanwijzing

Het jodendom wees de Messias af. Jezus werd niet geaccepteerd en werd verworpen. In de plaats daarvan werd de Messias door vele niet-joden aangenomen. Zo ontstond de christelijke gemeente. Voor de apostel Paulus was dat heel bijzonder. Dat God nu een niet-joodse gemeente boDe.32_21uwde en Zijn eigen joodse volk liet liggen, was voor Paulus wellicht moeilijk, maar te verklaren vanuit de schrift. Dat deed hij dan ook en wees op het lied van Mozes. (Rom.10:19 waar hij verwijst naar Deut.32:21) Dit heb ik in 2012 uiteengezet in het Engelstalige boekje: Our Place, aan te schaffen via Lulu, of vrij te downloaden van mijn engelstalig blog FaithbasedWorks

In Deut.32:21 staat dat God een “niet-volk” zou aannemen omdat zijn eigen volk het verzondigd had. Hij zou hen niet meer tot hun God zijn. God verlaat zijn vrouw Israël en neemt een andere vrouw aan uit de heidenen. In het lied van Mozes wordt dit een “niet-volk” genoemd. Het was eigenlijk geen volk, want het waren allerlei mensen uit de heidenen, tot de “uiteinden der aarde”. Maar God maakte er Zijn volk van. Cornelius de Romeinse hoofdman was de eerste die de Heilige Geest ontving. (Hand.10) Eigenlijk was dat het begin van de christelijke kerk. Die tijd wordt de “tijden der heidenen” genoemd in het NT. Tijdens die tijd heeft het volk Israël de status “niet-Mijn-volk”. (Lo-Ammi)

Bijzonder is dat God een niet-volk tot Zijn volk maakt. Ja meer dan bijzonder, het is een wonder van eeuwige zaligheid!

Wat ook een bijzonderheid is, is dat God Zich een volk vergaderd. Dat is dus een volk uit de heidenen, als Zijn bruid. Met dit feit heeft het volk Israël een afgezonderde status. Als een vrouw die gescheiden is. Maar het nieuwe volk, is ook een volk geworden. Het christelijke volk. Dit is een belangrijk gegeven i.v.m. de kinderdoop die dit volk uitvoert. Net als bij Israël is hier ook een verbondsverhouding te zien. Hoewel dat niet expliciet in de bijbel wordt genoemd. Maar misschien kan het juist in deze tekst uit Deuteronomium 32 gevonden worden.

Nog een bijzonderheid is dat dit volk zich liet vervreemden van God, afdwaalde en zondigde. Zo hebben de Protestanten de toenmalige katholieke macht als de antichrist benoemd. En dat christelijke volk verhief zich boven Israël. Daarom wordt het in de bijbel ook vaak met Edom vergeleken. Het gaat dan om de algemene katholieke kerk waar wij allemaal een onderdeel van zijn. Er liggen parallellen tussen het volk Israël en het christelijke volk.

Wij leven in een tijd (meen ik) van de wederoprichting van het volk Israël en van het oordeel over het christelijke volk. De oprichting van “de vervallen hut van David” opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt de HEERE, Die dit doet. (Amos 9:11-12) Let op dat hier staat Edom en alle niet-Joden/gojiem (אֱדוֹם וְכָל-הַגּוֹיִם) die naar Mijn Naam genoemd worden. Dat is hier de christelijke kerk. De zin is hier dat dan de scheiding is opgehouden van de mensen die naar Gods naam genoemd zijn en het Joodse volk. Kerk en Synagoge zullen dan één zijn. De christelijke erfenis valt dan (weer) onder Jeruzalem.

We zien uit naar de tijd van Jes.2:2-3, “En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.”

De uitdaging van Kain

Na de schepping van de mens lezen we in de bijbel al heel snel het verhaal van Kaïn en Abel. Abel’s offer werd aangenomen door God en dat van Kaïn niet. Er wordt verder niet vermeld waarom niet. Hierop volgt het eerste menselijke geschil in de bijbel. En dat met foute afloop.

In de eerste instantie komt het ons over alsof het oneerlijk is dat Kain’s offer niet werd aangenomen. Maar dieper onderzoek geeft een andere kijk op deze zaak. Onderzoek is natuurlijk altijd nodig in de bijbel.

Kaïn werd boos en dat is een natuurlijke reactie. Iedereen voelt dit aan.2280003a

Direct daarop kwam de Heere naar Kaïn, als het ware te hulp, door hem aan te spreken. Waarom ben je boos? (vers 6)

En dan in vers 7 volgt er een uitermate belangrijke instructieve opmerking. De eerste les in de bijbel als het gaat over rechtvaardigheid, in de zin van dat de mens rechtvaardig moet handelen. Het goede moet kiezen en moet doen. Rechtvaardigheid bestaat pas als er onrechtvaardigheid bestaat. Er moet een uitdaging aan te pas komen om een goede keus te maken. Kaïn werd geconfronteerd met een uitdaging.

Nu is de situatie van de gevallen mens zo dat hij uit genade leeft. Hij heeft de dood verdient door de val, maar leeft uit genade. In dat opzicht had Kaïn niet boos hoeven te worden, want Kaïn en Abel hadden allebei het (natuurlijke) leven. En daardoor vielen ze onder de algemene genade waardoor ze beiden de zaligheid konden verkrijgen tijdens hun leven.

Wat er hier echter gebeurt is dat de kracht van de zonde in Kain kwam. Het boze kwam in Kain. Je zou het de erfzonde kunnen noemen, dat wat op basis van de eerste zonde (van Adam) kwam. Alle mensen hebben daarmee te maken. Het Hebreeuwse begrip hiervoor is Jetser Hara, de kwade wil. Dit is de kracht waarmee de mens (kennende het goed en het kwaad) mee geconfronteerd is geworden. Deze tegenwerkende kracht veroorzaakt een uitdaging voor de mens om het goede te (blijven) kiezen.

Deze uitdaging kwam naar Kain. En het was de bedoeling dat hij dit overwon. Het is als een test met een beoogde goede afloop. Dat blijkt uit het volgende vers, als een instructie voor de mens na de val.

Vers 7:

SV: “Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.”

HSV: “Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.”

Luth.V: “Is het niet alzo: wanneer gij vroom zijt, zo zijt gij aangenaam; maar zijt gij niet vroom, zo rust de zonde voor de deur: laat haar echter niet haren wil, maar heers over haar!”

Leidse V: “Moogt gij het niet, indien gij goed handelt, vrij opheffen? Maar indien gij slecht handelt; ligt de zonde aan de deur. Naar u strekt zich haar begeerte uit; doch gij kunt haar beheersen.”

זהֲל֤וֹא אִם־תֵּיטִיב֙ שְׂאֵ֔ת וְאִם֙ לֹ֣א תֵיטִ֔יב לַפֶּ֖תַח חַטָּ֣את רֹבֵ֑ץ וְאֵלֶ֨יךָ֙ תְּשׁ֣וּקָת֔וֹ וְאַתָּ֖ה תִּמְשָׁל־בּֽוֹ:
(Gen.4:7)

Het is vooral de Leidse vertaling die hier de betekenis van de Hebreeuwse tekst het duidelijkst weergeeft. Wel is het beter om “Maar indien gij niet goed handelt” te vertalen. Dat staat er nl. letterlijk. En beter is: “doch gij kunt over haar heersen”.

Uit deze tekst verstaan we dat Kaïn al wist dat hij goed moest doen, of zichzelf verbeteren. Anders zou de Heere niet beginnen met “Is het niet alzo.. dat..”  Dat moest Kain erkennen.

Wat we ook zien in deze uitspraak van God is de consequentie van het goede gedrag en van het niet goede gedrag. Op het goede volgt verhoging (van de ziel) en op het niet goede volgt “de zonde ligt aan de deur”. Dat laatste is de neiging naar het kwade. De wil die gebogen wordt tot het kwade omdat het kwade, de zonde, meer nabij komt. Want, zo wordt er hier een heel belangrijke reden aangegeven, de macht van de zonde “strekt haar begeerte uit naar u”. Die macht is er dus op uit om de mens te laten vallen, in plaats van dat zij verhoogd wordt. Dit is de macht van de satan. De tegenstander van de mens die met hem de strijd aangaat.

Deze macht is groot, maar er staat: “doch gij kunt over haar heersen”. Hierin ligt de werkzaamheid van de mens. Zijn opdracht op deze wereld, natuurlijk met Gods hulp omdat God het hem heeft gegeven en hem zo heeft geschapen. Kain kon op pad met deze kennis. Hij kon het, maar hij zou falen. Wat een rijke les!

De Statenvertalers waren echte Protestanten. Misschien was het om die reden dat ze voorzichtig waren om het te vertalen met “dat de mens over de zonde kan heersen”. Dat heeft namelijk een kanttekening nodig. Ik ga er hier verder niet op in, maar volsta hier met te verwijzen naar onze catechismus, waarin over een nieuw leven gesproken wordt uit Christus wat over de zonde heersen zal. En de werken doet uit dankbaarheid en niet ten behoeve van verdienste.

Dit woord heeft zijn echo in de schrift. Met als belangrijkste wel een van de kernteksten van de Torah: “Het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kiest dan het leven, opdat gij levet.” (Deut.30:19) En de profeten: “Zoekt het goede, en niet het boze, opdat gij leeft.” (Amos 5:14); “Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?” (Micha 6:8) Ook de psalmdichter wijst op het actieve gedrag van de mens en de consequenties ten opzichte van Gods reactie: “Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.” (ps.18:26)