De basis van het christendom in de Torah: Paulus’ aanwijzing

Het jodendom wees de Messias af. Jezus werd niet geaccepteerd en werd verworpen. In de plaats daarvan werd de Messias door vele niet-joden aangenomen. Zo ontstond de christelijke gemeente. Voor de apostel Paulus was dat heel bijzonder. Dat God nu een niet-joodse gemeente boDe.32_21uwde en Zijn eigen joodse volk liet liggen, was voor Paulus wellicht moeilijk, maar te verklaren vanuit de schrift. Dat deed hij dan ook en wees op het lied van Mozes. (Rom.10:19 waar hij verwijst naar Deut.32:21) Dit heb ik in 2012 uiteengezet in het Engelstalige boekje: Our Place, aan te schaffen via Lulu, of vrij te downloaden van mijn engelstalig blog FaithbasedWorks

In Deut.32:21 staat dat God een “niet-volk” zou aannemen omdat zijn eigen volk het verzondigd had. Hij zou hen niet meer tot hun God zijn. God verlaat zijn vrouw Israël en neemt een andere vrouw aan uit de heidenen. In het lied van Mozes wordt dit een “niet-volk” genoemd. Het was eigenlijk geen volk, want het waren allerlei mensen uit de heidenen, tot de “uiteinden der aarde”. Maar God maakte er Zijn volk van. Cornelius de Romeinse hoofdman was de eerste die de Heilige Geest ontving. (Hand.10) Eigenlijk was dat het begin van de christelijke kerk. Die tijd wordt de “tijden der heidenen” genoemd in het NT. Tijdens die tijd heeft het volk Israël de status “niet-Mijn-volk”. (Lo-Ammi)

Bijzonder is dat God een niet-volk tot Zijn volk maakt. Ja meer dan bijzonder, het is een wonder van eeuwige zaligheid!

Wat ook een bijzonderheid is, is dat God Zich een volk vergaderd. Dat is dus een volk uit de heidenen, als Zijn bruid. Met dit feit heeft het volk Israël een afgezonderde status. Als een vrouw die gescheiden is. Maar het nieuwe volk, is ook een volk geworden. Het christelijke volk. Dit is een belangrijk gegeven i.v.m. de kinderdoop die dit volk uitvoert. Net als bij Israël is hier ook een verbondsverhouding te zien. Hoewel dat niet expliciet in de bijbel wordt genoemd. Maar misschien kan het juist in deze tekst uit Deuteronomium 32 gevonden worden.

Nog een bijzonderheid is dat dit volk zich liet vervreemden van God, afdwaalde en zondigde. Zo hebben de Protestanten de toenmalige katholieke macht als de antichrist benoemd. En dat christelijke volk verhief zich boven Israël. Daarom wordt het in de bijbel ook vaak met Edom vergeleken. Het gaat dan om de algemene katholieke kerk waar wij allemaal een onderdeel van zijn. Er liggen parallellen tussen het volk Israël en het christelijke volk.

Wij leven in een tijd (meen ik) van de wederoprichting van het volk Israël en van het oordeel over het christelijke volk. De oprichting van “de vervallen hut van David” opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edom, en al de heidenen, die naar Mijn Naam genoemd worden, spreekt de HEERE, Die dit doet. (Amos 9:11-12) Let op dat hier staat Edom en alle niet-Joden/gojiem (אֱדוֹם וְכָל-הַגּוֹיִם) die naar Mijn Naam genoemd worden. Dat is hier de christelijke kerk. De zin is hier dat dan de scheiding is opgehouden van de mensen die naar Gods naam genoemd zijn en het Joodse volk. Kerk en Synagoge zullen dan één zijn. De christelijke erfenis valt dan (weer) onder Jeruzalem.

We zien uit naar de tijd van Jes.2:2-3, “En het zal geschieden in het laatste der dagen, dat de berg van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot denzelven zullen alle heidenen toevloeien. En vele volken zullen heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des HEEREN, tot het huis van den God Jakobs, opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet uitgaan, en des HEEREN woord uit Jeruzalem.”

Advertenties

De uitdaging van Kain

Na de schepping van de mens lezen we in de bijbel al heel snel het verhaal van Kaïn en Abel. Abel’s offer werd aangenomen door God en dat van Kaïn niet. Er wordt verder niet vermeld waarom niet. Hierop volgt het eerste menselijke geschil in de bijbel. En dat met foute afloop.

In de eerste instantie komt het ons over alsof het oneerlijk is dat Kain’s offer niet werd aangenomen. Maar dieper onderzoek geeft een andere kijk op deze zaak. Onderzoek is natuurlijk altijd nodig in de bijbel.

Kaïn werd boos en dat is een natuurlijke reactie. Iedereen voelt dit aan.2280003a

Direct daarop kwam de Heere naar Kaïn, als het ware te hulp, door hem aan te spreken. Waarom ben je boos? (vers 6)

En dan in vers 7 volgt er een uitermate belangrijke instructieve opmerking. De eerste les in de bijbel als het gaat over rechtvaardigheid, in de zin van dat de mens rechtvaardig moet handelen. Het goede moet kiezen en moet doen. Rechtvaardigheid bestaat pas als er onrechtvaardigheid bestaat. Er moet een uitdaging aan te pas komen om een goede keus te maken. Kaïn werd geconfronteerd met een uitdaging.

Nu is de situatie van de gevallen mens zo dat hij uit genade leeft. Hij heeft de dood verdient door de val, maar leeft uit genade. In dat opzicht had Kaïn niet boos hoeven te worden, want Kaïn en Abel hadden allebei het (natuurlijke) leven. En daardoor vielen ze onder de algemene genade waardoor ze beiden de zaligheid konden verkrijgen tijdens hun leven.

Wat er hier echter gebeurt is dat de kracht van de zonde in Kain kwam. Het boze kwam in Kain. Je zou het de erfzonde kunnen noemen, dat wat op basis van de eerste zonde (van Adam) kwam. Alle mensen hebben daarmee te maken. Het Hebreeuwse begrip hiervoor is Jetser Hara, de kwade wil. Dit is de kracht waarmee de mens (kennende het goed en het kwaad) mee geconfronteerd is geworden. Deze tegenwerkende kracht veroorzaakt een uitdaging voor de mens om het goede te (blijven) kiezen.

Deze uitdaging kwam naar Kain. En het was de bedoeling dat hij dit overwon. Het is als een test met een beoogde goede afloop. Dat blijkt uit het volgende vers, als een instructie voor de mens na de val.

Vers 7:

SV: “Is er niet, indien gij weldoet, verhoging? en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijn begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heersen.”

HSV: “Is het niet zo dat u, als u het goede doet, uw hoofd kunt opheffen? Maar als u niet het goede doet, ligt de zonde aan de deur. Naar u gaat zijn begeerte uit, maar ú moet over hem heersen.”

Luth.V: “Is het niet alzo: wanneer gij vroom zijt, zo zijt gij aangenaam; maar zijt gij niet vroom, zo rust de zonde voor de deur: laat haar echter niet haren wil, maar heers over haar!”

Leidse V: “Moogt gij het niet, indien gij goed handelt, vrij opheffen? Maar indien gij slecht handelt; ligt de zonde aan de deur. Naar u strekt zich haar begeerte uit; doch gij kunt haar beheersen.”

זהֲל֤וֹא אִם־תֵּיטִיב֙ שְׂאֵ֔ת וְאִם֙ לֹ֣א תֵיטִ֔יב לַפֶּ֖תַח חַטָּ֣את רֹבֵ֑ץ וְאֵלֶ֨יךָ֙ תְּשׁ֣וּקָת֔וֹ וְאַתָּ֖ה תִּמְשָׁל־בּֽוֹ:
(Gen.4:7)

Het is vooral de Leidse vertaling die hier de betekenis van de Hebreeuwse tekst het duidelijkst weergeeft. Wel is het beter om “Maar indien gij niet goed handelt” te vertalen. Dat staat er nl. letterlijk. En beter is: “doch gij kunt over haar heersen”.

Uit deze tekst verstaan we dat Kaïn al wist dat hij goed moest doen, of zichzelf verbeteren. Anders zou de Heere niet beginnen met “Is het niet alzo.. dat..”  Dat moest Kain erkennen.

Wat we ook zien in deze uitspraak van God is de consequentie van het goede gedrag en van het niet goede gedrag. Op het goede volgt verhoging (van de ziel) en op het niet goede volgt “de zonde ligt aan de deur”. Dat laatste is de neiging naar het kwade. De wil die gebogen wordt tot het kwade omdat het kwade, de zonde, meer nabij komt. Want, zo wordt er hier een heel belangrijke reden aangegeven, de macht van de zonde “strekt haar begeerte uit naar u”. Die macht is er dus op uit om de mens te laten vallen, in plaats van dat zij verhoogd wordt. Dit is de macht van de satan. De tegenstander van de mens die met hem de strijd aangaat.

Deze macht is groot, maar er staat: “doch gij kunt over haar heersen”. Hierin ligt de werkzaamheid van de mens. Zijn opdracht op deze wereld, natuurlijk met Gods hulp omdat God het hem heeft gegeven en hem zo heeft geschapen. Kain kon op pad met deze kennis. Hij kon het, maar hij zou falen. Wat een rijke les!

De Statenvertalers waren echte Protestanten. Misschien was het om die reden dat ze voorzichtig waren om het te vertalen met “dat de mens over de zonde kan heersen”. Dat heeft namelijk een kanttekening nodig. Ik ga er hier verder niet op in, maar volsta hier met te verwijzen naar onze catechismus, waarin over een nieuw leven gesproken wordt uit Christus wat over de zonde heersen zal. En de werken doet uit dankbaarheid en niet ten behoeve van verdienste.

Dit woord heeft zijn echo in de schrift. Met als belangrijkste wel een van de kernteksten van de Torah: “Het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kiest dan het leven, opdat gij levet.” (Deut.30:19) En de profeten: “Zoekt het goede, en niet het boze, opdat gij leeft.” (Amos 5:14); “Hij heeft u bekend gemaakt, o mens! wat goed is; en wat eist de HEERE van u, dan recht te doen, en weldadigheid lief te hebben, en ootmoediglijk te wandelen met uw God?” (Micha 6:8) Ook de psalmdichter wijst op het actieve gedrag van de mens en de consequenties ten opzichte van Gods reactie: “Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.” (ps.18:26)

Democratie: Wie heeft de macht?

Waarom zijn de seculieren zo boos omdat de (rechtse) christenen zoals in Amerika opmars maken? Omdat hun seculiere principes wankelen en God misschien toch wel bestaat. Die dan natuurlijk ook over hen machthebbende is, die alles stuurt. En omdat ze wel moeten loslaten dat hun westerse principes zo goed zijn dat heel de wereld ze vanzelf wel zou overnemen.

Democratie is heilig voor hen omdat ze denken dat zo de wereld verbeterd kan worden. Maar hoe bestaat democratie?

Democratie is een machtig instrument om via het volk macht uit te oefenen. Om een democratische regering te sturen moet je dus het volk sturen. Democratie en de media (nieuwsvoorzieningen) zijn met elkaar verbonden. Media creëert publieke opinie, publieke opinie creëert stemmen, stemmen creëren de regering, regering creëert wetgeving. De samenleving is gebaseerd op regering en wetshandhaving.

God regeert. Dat staat vast. Maar wat doen wij? De ultieme macht is moeilijk te bepalen, maar de media heeft een belangrijke rol. Die wordt zonder twijfel gedomineerd door de zeer overwegend linkse elite.

Nu de media haar grip op het volk kwijtraakt, worden de seculieren waanzinnig. Dat is te begrijpen want heel hun basis slaat weg. Zij maken niet meer het nieuws, maar het gewone volk produceert nu zelf nieuws. En dat zorgt voor verwarring. En verandering.

Gelukkig zijn er nog veel “normale” mensen die geen gender/abortus/euthanasie en dergelijke kruisvaarderij willen. Maar gewoon een normaal gezinsleven.

God regeert, maar wat doen wij? Gewoon leven, gewoon zoals we gewend zijn op basis van de geboden zoals we die uit de bijbel hebben. Als we alleen al niet zouden stelen en niet zouden doden zou de wereld er al totaal anders uitzien.

Vrees God en houd zijn geboden. Shalom!

Jezelf ergeren aan Jezus

Wat een titel. Maar ik schrijf hem toch op, het is bijbels. De dag voor de kruisiging ergerden de discipelen zich ook aan Jezus. Toen was het geen Heere Jezus, maar “ik ken die mens niet”. In feite is het iets wat een gelovige beleven kan.

Een Christen die tot de kern van het christelijke geloof komt, die zegt vanuit een diepe beleving van zijn onrechtvaardigheid en neiging tot het kwaad, dat hij het zelf is die Jezus verwerpt. Jezus is dan “de ongewenste” in diepe delen van het hart. Zo’n Christen ervaart dat hij medeschuldig is aan de “kruisiging” van Jezus.

Tegelijkertijd heeft deze belijdenis een onnoemelijk grote rijkdom in zich omdat dit het vlinder13_soortrechtvaardige werk Gods is, waardoor de mens wordt hersteld in een gelukzalige toestand.

Deze zelfontdekking moesten de discipelen ook beleven toen Jezus gekruisigd werd. Want de nacht daarvoor zouden zij zich allen ergeren aan Jezus. “Gij zult allen aan Mij geërgerd worden in deze nacht.” (Matth.26:31) Ze werden dus ook allen geërgerd toen Jezus gevangen werd en vluchtten weg. (Matth.26:56) Ook degene die toch nog mee wilde gaan, moest naakt wegvluchten. (Mark.14:52)

Eén discipel is ons voor deze geschiedenis ten voorbeeld overgebleven, die met de grootste mond: Ik zal niet schuldig zijn. We kennen de geschiedenis van Petrus. Op het meest cruciale moment, toen Jezus ter dood werd veroordeeld, zei hij: “Ik ken die mens niet”. (Matth.26:74)

Dit is het laatste wat we van de discipelen lezen toen de Heere Jezus nog in leven was. Wat wil dat zeggen? Ik denk dat we hier kunnen zien dat de discipelen zichzelf vereenzelvigen met in de eerste plaats alle gelovigen. En als Joden zijnde, was het een profetisch typering van hoe het Joodse volk haar Messias zou accepteren. Niet dus, Hij werd verworpen. Het gaat dan om het Joodse verbondsvolk en “Allen die daar verre zijn zovelen als de Heere er toe roepen zal.” (Hand.2:39) Met andere woorden, het volk wat God verlossen zal, dat volk is schuldig aan de “kruisiging”. Of zachter uitgedrukt, schuldig aan dat Jezus niet is gewenst.

Ten diepste is dat ook het probleem bij een bekering. De onwil om zichzelf volledig over te geven aan Jezus. Niet meer van jezelf zijn, maar van een Ander. De rechtvaardigheid van God verkrijgen uit genade. Dat vraagt jezelf als offer. Maar hoewel een opoffering, je raakt jezelf niet kwijt, je ontvangt jezelf als een nieuw mens. Dat is een heel proces. De Heere Jezus zei tegen Petrus voordat hij genoemde zelfontdekking beging: “Als gij eens zult bekeerd zijn”. (Luk.22:32) Het was een leerproces. En levenslang moet er geleerd worden.

Dat het Joodse volk diezelfde schuld van de kruisiging op zich heeft genomen, is niet alleen om de straf te dragen, maar ook om tot de juiste belijdenis te komen. Want ze zullen zien wie ze “hebben doorstoken.” (Zach.12:10) De uitspraak “Zijn bloed kome over ons” (Matth.27:25) wordt dan tot zaligheid.

De tekst uit de profeet Zacharia “Ik zal de herder slaan.” (Zach.13:7) komt hier, toen Jezus gevangen werd genomen, tot vervulling zoals de Heere Jezus dit zelf aangeeft. (Matth.26:31) De Heere slaat de Herder door zijn eigen volk. Enerzijds door de ongelovige Joden, maar anderzijds, zou de verloochening van Petrus niet nog harder aangekomen zijn voor de Herder?

Vraag aan Rabbijn: Rechtvaardigheid

Onlangs heb ik een vraag aan een (orthodoxe) Rabbijn gesteld over wat rechtvaardigheid betekent.

De vraag kwam van Psalm 32 vers 1. In die psalm gaat het over de vergeving der zonden. In vers 11 wordt rechtvaardigheid ook nog genoemd. Mijn vraag was het volgende: “Of vergeving der zonden en rechtvaardigheid met elkaar te maken hebben. En wat rechtvaardigheid eigenlijk betekent. question-mark-2153514_1280 Volgens de Tora is het heel belangrijk om vergeving van zonden te ontvangen. Betekent het dat iemand dan rechtvaardig is? Kan een onrechtvaardige persoon geaccepteerd worden door God? En wanneer vergeeft God de zonden en hoe weten wij dat?”

Een korte samenvatting van het antwoord.

Een belangrijk woord hier is het Hebreeuwse tsadikiem. Dat betekent rechtvaardigen. Dit komt in het laatste vers voor.

In de bijbelse betekenis is rechtvaardigheid een competentie (vaardigheid) die in dit leven van betekenis is, een leven lang. Temidden van een wereld die in het boze ligt en onder de mensheid waarvan gezegd kan worden dat er niemand rechtvaardig is. (Pred.7:20) Het is het één of het ander: of je doet niets, of je doet goed maar bent besmet met zonden. Dat laatste is rechtvaardig leven. Rechtvaardigheid is geen staat (In het OT) maar een vaardigheid. Precies de letterlijke betekenis van het Nederlandse woord: recht vaardig.

In vers 6 staat gaat het over chassidiem, dat betekent vromen of heiligen. Dat is een hogere status die iemand kan hebben.

Er zijn eigenlijk drie niveaus van vroomheid:

  1. Tsadiek – een rechtvaardige
  2. Jashar – een oprechte
  3. Chassied – een vrome/heilige

Al deze toestanden betreffen alleen mensen die door God verlost zijn.

Een chassied is iemand die verder kijkt dan de letter van de wet. De wet heeft voor hem ook een geestelijke betekenis. Een betere uitdrukking volgens de Rabbijn is dat zo iemand niet achter de letter van de wet kijkt, maar in de letter van de wet.

Een chassied wordt getekend door rechtvaardigheid.

Chassied is een hogere status dan rechtvaardige.

Maar het allerbelangrijkste waar het in dit leven om gaat is dat iemand aangenomen wordt door God als zijn kind. En daar is maar één houding voor mogelijk en voor nodig. Dat is bekering. Terugkeer tot God. Overgave aan God. Erkenning van schuld. Berouw over schuld. En een hartelijke volledige overgave dit voor altijd van zins te zijn.

(Zie ook de bekende punten van Maimonides.)

Een rechtvaardige zijn is niet een bepaalde staat waarin iemand staat. Hij wijst op spreuken 24:16: “Want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen, en opstaan; maar de goddelozen zullen in het kwaad nederstruikelen.” Een rechtvaardige zondigt ook, hij valt daardoor. Maar hij zal weer opstaan. En elke val zorgt voor kansen om er beter uit te komen.

Aldus de Rabbijn.

Er volgde nog een heel stuk over bekering. Ik hoop dat ook nog eens weer te geven.

Paulus’ doel met zijn brief aan de Romeinen

In mijn bijbel stond boven het tweede hoofdstuk van Romeinen: “Onboetvaardigheid der Joden”. Ik denk dat dit niet goed is. Er wordt dan een verkeerde uitleg gesuggereerd. Dat triggerde mij om er iets over te schrijven.

Ik heb het even gechecked, het gaat om een Statenvertaling van uitgeverij Jongbloed. Ik heb er een Statenvertaling van uitgeverij GBS bij gepakt en die geeft het net iets genuanceerder weer: “Gods oordeel ook over de Joden”. Vooral het woordje “ook” geeft aan dat het in principe over iedereen gaat. En zo is het inderdaad. Desalniettemin gaat de vinger naar de Joden. En ik denk dat dit hier niet zo moet zijn.

remb_paulus_gevang_grt

Want wie spreekt Paulus als eerste aan? Zoals elke brief een (kern)boodschap heeft en specifiek geadresseerde, zo heeft de brief aan de Romeinen dit. Dus aan wie schreef Paulus en wat schreef hij. Het klinkt misschien een beetje gek, maar Paulus was echt een manager. Hij was super goed in het aansturen van de nieuwe g

emeenten die overal hard aan het groeien waren. En ik vind het altijd heel bijzonder dat Paulus in die tijd zo goed wist wat er in de gemeenten speelde. Waarschijnlijk door het goede netwerk wat het Joodse volk toen (in de verstrooiing) had.

Paulus wist ook goed wat er in de gemeente van Rome aan de hand was. Beter dan dat wij dat weten heb ik het idee, anders zou je niet zo’n kopje boven de tekst plaatsen.

Wat was er aan de hand in de gemeente van Rome rond het jaar 57 toen Paulus zijn brief schreef? Een stukje geschiedenis. De gemeente van Rome bestond al best lang voor die tijd. Want de eerste “christenen” (wat toen natuurlijk allemaal Joden en enkele jodengenoten waren) die in Rome kwamen waren mensen die in Jeruzalem geweest waren om het pinksterfeest te vieren. Die kwamen terug met de nieuwe boodschap, het evangelie. Dit gebeurde allemaal onder de Joden, in de synagogen. Vanaf het jaar 30. De Heilige Geest was toen nog niet op de heidenen gekomen. Dat gebeurde pas rond het jaar 37 bij Cornelius. (Hand.11) En pas rond het jaar 42 begon men het evangelie aan de heidenen te verkondigen. (Hand.11:20-24)

De “christelijke” gemeente van Rome was in het begin een typisch joodse gemeente die volgens de wet van Mozes leefde en geloofde dat Jezus de Messias was. Zeker de eerste 10 jaar ontwikkelde zich een gemeente onder de vrome Joden (want die waren daar mee bezig en gingen naar Jeruzalem etc.) die uitsluitend Joods was en de niet-joden die zich daarbij voegden waren jodengenoten, ook wel godvrezenden genoemd in die tijd. Die leefden naar de Noachidische geboden. Diegenen die zich tot het jodendom voegden, bekeerden zich daartoe en werden Joods. Zo zag de gemeente van Rome eruit in het begin.

Maar daar kwam verandering in. Bij het edict van Claudius (49 CE) werden alle joden uit de stad Rome verdreven. Hieronder waren ook gelovige Joden, die samen met niet-joodse gelovigen in de joodse gemeenten, in de synagoge verkeerden. Na de tijd van Claudius’ dood in 54 mochten de Joden terugkeren, maar vele joodse gelovigen konden niet meer terug naar hun synagogen vanwege interne onenigheid. De gelovigen kwamen toen samen in huisgemeenten, zoals dat gebeurde bij Priscilla en Aquila (Rom.16). Eind jaren 50 kwamen er door het evangelie meerde niet-joden bij. En deze gelovigen begonnen zich te verheffen boven de joodse gelovigen.[1] Er kwam meer en meer afscheiding van de joodse gemeenschap. Zo was er een gemeente waarin de joodse Priscilla en Aquila verkeerden die afgezonderd was van de synagoge. Deze gemeente leunde van oudsher nog sterk op de Torah. De joodse gelovigen in die gemeente hielden de wet, maar door de sterke nadruk van het evangelie op de niet-joodse gelovigen die niet onder de Torah verkeerden (Hand.15), werden zij beschouwd als de “zwakkeren”. (Rom.14:1-15:13) Een groot deel van de niet-joodse gelovigen vond het b.v. niet meer nodig voor de joodse gelovigen om de spijswetten te onderhouden. (Zoals in de brief aan de Romeinen is op te merken.) Dit is de situatie van de gemeente van Rome waar Paulus aan schreef.

In de brief spreekt Paulus beide groepen aan, joodse en niet-joodse gelovigen. Waarbij opgemerkt dient te worden dat hij voornamelijk de niet-joodse gelovigen aanspreekt die in de meerderheid waren. En Paulus weet van de discussies die er zijn tussen diegenen die de wet hielden en zij die dit niet nodig achtten. Daar wil hij helderheid in geven en dat doet hij door beide groepen erop te wijzen dat de rechtvaardigmaking voor beiden een hoger en belangrijker doel is dan waar de discussies over gaan. Vandaar dat rechtvaardigmaking een belangrijk onderwerp is geworden in de brief. Maar het hoofddoel van de brief kan heel goed zijn het rechtzetten van de onderlinge verhoudingen binnen de gemeente. Dat was de eerste motivatie van Paulus. (Natuurlijk is de rechtvaardigmaking een belangrijk algemeen onderwerp geworden.)

Paulus leidt zijn brief in met te wijzen op met wie hij te maken heeft. Dat zijn eerst de goddelozen (Rom.1:18-32), dan de niet-joodse gelovigen (Rom.2:1-16), en dan de joodse gelovigen (Rom.17-29).

Als we zo het eerste gedeelte van Romeinen 2 gaan lezen, dan moeten we er niet boven zetten dat het Gods oordeel over de (gelovige) Joden is, maar Gods oordeel over de (gelovige) niet-Joden. En wat is het dan wat ze te horen krijgen? Dit: “waarin gij een ander oordeelt, oordeelt gij uzelven.” (Rom.2:1) Ze kunnen dus beter niet op een rechterstoel gaan zitten. Want in wezen heeft dat slechts tot het volgende tot gevolg: Ze “vergaderen daarbij toorn als een schat”. En dat wordt vergolden “in de dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods”. Want “een iegelijk wordt vergolden naar zijn werken.” Daarvan moesten ze zich wel bewust zijn ten opzichte van de kritiek die ze gaven op hun joodse broeders die volgens de wet probeerden goed te leven en goede werken te doen. Want die het goede werken (Rom.2:10) en de daders der wet (Rom.2:13) zullen heerlijkheid en eer en vrede vergolden worden. (Rom.2:10)

Vervolgens spreekt Paulus de joodse gelovigen aan vanaf vers 17. Ook zij krijgen dezelfde waarschuwing, maar dan naar hun eigen situatie vertolkt. Zij kunnen niet op de wet rusten en de besnijdenis. Paulus bereid ze allen (Joods en niet-Jood/Griek) voor om ze te laten hunkeren naar de ware rechtvaardigmaking. En dan besluit Paulus zijn waarschuwing door erop te wijzen dat hetzij joodse- of niet-joodse gelovige, diegene een ware Jood is, een ware Godslover, die het in de Geest is onder de besnijdenis van het hart. (Rom.2:29)

Als Paulus dan deze beide groepen die hij aanspreekt (joodse en niet-joodse gelovigen) als schuldenaars voor God heeft neergezet, dan is het opvallend dat hij direct opkomt voor de joodse gelovigen. (Rom.3:1-2 “Wat is het voordeel van de Jood: vele”. En verderop in hfdst. 9-11, waar hij wijst op de beloften voor het gehele joodse volk.) De joodse gelovigen die zich aan de wet hielden kregen het immers hard te verduren sinds de niet-joodse gelovigen het voor het zeggen hadden, gesteund door joodse gelovigen die meenden zich niet meer strikt aan de wet hoeven te houden. De joodse gelovigen waren een minderheid geworden en behoorden tot de zwakkeren.

Maar na zijn positieve woorden over de Joden vat hij het nog eens samen in vers 9: “Zijn wij (Joden) uitnemender? Ganselijk niet; want wij hebben te voren (nl. die hij net aangesproken heeft in hfdst.2, joodse en niet-joodse gelovigen) beschuldigd beiden Joden en Grieken , dat zij allen onder de zonde zijn; Gelijk geschreven is: Er is niemand rechtvaardig, ook niet een.”

En dan komt Paulus in de volgende hoofdstukken t/m 8 met zijn rede over de rechtvaardigheid Gods, die nieuw geopenbaard is geworden in Jezus. (Rom.3:21)

Zoals al aangegeven schreef Paulus met een bepaald doel om de gemeente ook te sturen. Daarbij schreef hij aan de overwegend niet-joodse “heidense” gemeente als de “apostel der heidenen”. En daarbij kwam hij op voor de Joden. Hij wilde de verhouding tussen joodse en niet-joodse gelovigen goed maken. Dat is duidelijk te zien als hij het heeft over de spijswetten in Rom.14:1-15:13. Hij wees erop dat die verschillen (volgens de wet leven of niet) eigenlijk niet uit maakten. Hij noemt de joodse gelovigen die vasthouden aan de wet “zwakken in het geloof”. (Rom.14:1) Maar wat belangrijk is te beseffen, is dat Paulus het verschil tussen Jood en niet-Jood overeind laat. Zo stelt hij: “Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft. Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelven; dan die acht iets onrein te zijn, die is het onrein.” Met andere woorden, wat voor de één onrein is, is voor de ander niet onrein. Wat voor een Jood onrein is (omdat hij dat zo acht vanwege zijn traditie/Torah), hoeft voor een niet-jood niet onrein te zijn.

__________
[1] Donfried, K. P., & Richardson, P. (1998). Judaism and Christianity in first-century Rome, p.126 en 176-177.

De grote verdrukking

“O wee! want die dag is zo groot, dat zijns gelijke niet geweest is; en het is een tijd van benauwdheid voor Jakob; nog zal hij daaruit verlost worden.” (Jer.30:7)

Er staat: “dat zijns gelijke niet geweest is”. Dat betekent dat er maar één zo’n dag (of periode) kan zijn in de menselijke geschiedenis. Daarom wijst hetgeen wat Jezus zegt op hetzelfde: “Want alsdan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.” (Matth.24:21) En in het boek Openbaring wordt het ook aangehaald: “Dezen zijn het, die uit de grote verdrukking komen; en zij hebben hun lange klederen gewassen, en hebben hun lange klederen wit gemaakt in het bloed des Lams.” (Openb.7:14)

Er zijn veel verklaringen over. Om aan te duiden in welke tijd dit precies zal plaatsvinden is natuurlijk niet te doen. Wat wel duidelijk is, is dat na deze meest ernstige verdrukking de verlossing zal plaatsvinden. Dan komt de Messias (terug).

Persoonlijk denk ik dat het zeker ook een profetische betekenis heeft in de zin van dat het voor een ieders leven van toepassing kan zijn. En in principe begon met de verwoesting van de tempel in het jaar 70 de vervulling al van deze profetie. Maar na verloop van tijd zal er een ultieme vervulling zijn. Een samenvatting van de vervulling. “Wat zijns gelijke niet geweest is”. Dan komt er ook een eind aan.

In de tijd van “Jacobs benauwdheid” horen we “een stem der verschrikking; er is vrees [terreur] en geen vrede.” Jezus heeft het over “valse christussen en valse profeten” die er in die tijd zullen zijn. Jacobs benauwdheid is een tijd van de ergste weeën van de bevalling. In die tijd is “de waarheid Gods veranderd in de leugen”. (Rom.1:25) De wereld op zijn kop. Dan is het geen vrouw die baart, maar een man. “Vraagt toch en ziet, of een manspersoon baart? Waarom zie Ik dan eens iegelijken mans handen op zijn lenden, als van een barende vrouw, en alle aangezichten veranderd in bleekheid?” (Jer.30:6)

Maar gezegend zal de geboorte zijn! Want alsdan “zullen zij dienen den HEERE, hun God, en hun koning David, dien Ik hun verwekken zal.” (Jer.30:9)

עם ישראל חי

Voor de engelstalige lezers:

https://en.wikipedia.org/wiki/Great_Tribulation

http://www.biblestudytools.com/commentaries/revelation/introduction/jacobs-trouble-and-the-great-tribulation.html

http://www.jewishroots.net/library/end-times/jacobs-trouble.html