Als Ezau Jacob omhelst

Edom is een ander woord voor Ezau. Bovendien heeft het woord Edom een profetische lading gekregen. Edom is een belangrijk begrip bij de profetische uitleg van de bijbel.

Edom staat voor het Romeinse rijk. Het staat ook voor de Rooms Katholieke kerk. Dat is de visie van Joden en van Protestanten. Eigenlijk staat het hier dan synoniem voor het christendom. Oftewel: Edom is de kerk en Jacob is Israel.

In die context gaf Rabbijn Irving Greenberg een interessant citaat in zijn boek “For the Sake of Heaven and Earth” (2004). Rabbijn Greenberg heeft een positieve kijk op het christendom, als een van de weinige Rabbijnen. Wat hij daarbij wel stelt is dat het christendom ooit, wanneer de Messiaanse tijd aanbreekt, Israel zal moeten erkennen, en daarbij een tak van het Jodendom zal moeten worden. “They must put away their pride of power and act like loving brothers and sisters.” [1]

Zou dit nu niet kunnen gebeuren tussen geadopteerde broeders? Vraagt hij zich af. En dan citeert hij het volgende:

Rabbijn Naftali Zevi Judah Berlin (1817-1893), een van de vooraanstaande Rabbijnen van zijn generatie en hoofd van de klassieke Volozhin Yeshiva gedurende 40 jaar, schrijft in zijn commentaar Haamek Davar op Gen.33:4 (“Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.”) het volgende: “En zij weenden. Beiden huilden. Dit leert ons dat op dit moment Jacob werd opgewekt om Esau lief te hebben. Zo zal het zijn voor de toekomstige generaties: op het moment dat het zaad van Esau zichzelf zal opwekken in de geest van reiniging om het zaad van Israël te erkennen naar hun waarde, dan zullen ook wij [Joden] ons ertoe aanzetten Esau te erkennen omdat hij onze broer is …” Genesis met het commentaar genaamd Haamek Davar (Jeruzalem: Vaad Ha Yeshivot, 1970, blz. 245) Ik dank Rabbi Yechiel Eckstein voor deze verwijzing. [1]

[1] Greenberg, I. (2004). For the Sake of Heaven and Earth: The New Encounter between Judaism and Christianity. Philadelphia: Jewish Publication Society. Page 97.

Advertenties

IND – vluchtelingen opname in NL

Vluchteling Hayarpi zei:

“Het gaat er niet om wat je meemaakt, maar juist om hoe je ermee omgaat.” (RD magazine, 29-12-2018, p.35)

Wijze woorden. Toen ik dat mooie artikel van haar las, vroeg ik me af welke diepere motieven er schuilgaan achter de menselijke besluiten die gemaakt worden aangaande verblijfsvergunningen.Screenshot 2018-12-31 at 11.52.29

Neem bijvoorbeeld Hayarpi. Uiteindelijk is het toch een menselijk besluit (en geen rekensommetje) wat bepaalt dat ze het land (in dit geval) moet worden uitgezet. Nu heb ik helemaal geen kennis van zaken betreft de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst). Toch kan ik me voorstellen dat het belangrijk is welke mensen met welke achtergronden er werken. Daar waar de besluiten worden gemaakt.

Ik ben kritisch als het gaat om de vluchtelingenstroom en Nederland. Waarom? Niet omdat ik liever geen vluchtelingen opneem. Maar het probleem ligt bij Nederland. Nederland heeft haar christelijke identiteit niet meer. Of erger, kan niet eens haar identiteit benoemen tegenover een vluchteling. Hoe moet een vluchteling zich dan aanpassen?

Hadden we nog maar een christelijke identiteit. We zouden Hayarpi direct opnemen in onze samenleving. Ze zou een ‘zuster’ van ons kunnen zijn. Hoe gemakkelijk kan het zijn?

Ter illustratie: Als ik een vluchteling opneem in mijn gezin, dan is dat omdat er iemand aankomt die in nood is. Op basis van liefde help je zo iemand direct. Blijft hij in het gezin voor een aantal dagen of langer, dan moet hij zich voegen naar de christelijke levenswijze van ons gezin. Wij bidden voor het eten. Lezen uit de bijbel. Geloven in Jezus. Alles op een wijze die we gewend zijn. Die vluchteling wordt ergens anders vermoord en bij ons vindt die liefde en mag bij ons komen. Maar het is wel duidelijk waar we voor staan. Welke identiteit we hebben. Welke gewoonten waar je als vluchteling jezelf aan moet houden. Op zijn minst respecteren. Een moslim b.v. hoeft niet tegen zijn geweten in zijn geloof op te zeggen. Maar hij moet wel weten waar wij voor staan. En ik verander mijn gezin niet. Dan gaat hij maar naar een moslim broeder land als het niet lukt.

Als Nederland een duidelijke christelijke identiteit had, dan lag het vluchtelingenprobleem heel anders. Het zou zelfs voor ongelovigen goed zijn om vanuit een christelijke identiteit te opereren, in dit opzicht.

Ik hoop dat er veel mensen met een christelijke identiteit werken bij de IND. En met passie en liefde. Die weten waar ze voor staan. Of beter gezegd, waar ze voor werken. Voor de Staat der Nederlanden dus. Wat een voorrecht zou het zijn als ze als Christen God dienen, of op zijn minst christelijke waarden voorstaan.

Zie ook:

www.rd.nl/kerkasielbethel

https://gedichtenvanhayarpi.wordpress.com

De ceremoniën der Wet opgehouden? – NGB artikel 25

Hierbij een persoonlijke gedachte over artikel 25 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis (NGB), de ceremoniële wet. Wat werd er in die tijd met de “ceremoniële wet” bedoeld? Voor mij een vraag. Lastige vraag omdat er in de bijbel geen splitsing van ceremoniële wetten ten opzichte van andere wetten van de Torah wordt gevonden. Ook niet in het Nieuwe Testament.belgium confession

Het volk Israël heeft zich met een eed aan de Torah verbonden. “Wij zullen [deze Torah] doen en horen” was de respons aan de voet van de berg Sinaï. En de Heere Jezus bevestigde dit volgens Matth.5 dat er geen tittel of jota van de wet zal veranderen.

Bij mij geeft artikel 25 een beetje een probleem. Niet onoverkomelijk. Maar het heeft voor mij verklaring nodig. Het probleem begint met een onderliggend (voor mij) principieel uitgangspunt dat er een scheiding is tussen het volk Israël en de niet-joodse kerk of gemeente van God. Zeg maar het tegenovergestelde van de vervangingsleer: Blijvend onderscheid tussen Jood en niet-Jood.

De opstellers van de NGB konden die scheiding nog niet goed zien. Integendeel, zij handelden vanuit het principe van de vervangingsleer. Nu, zo’n 300 jaar later is de situatie natuurlijk heel anders. Inmiddels zien we dat de Joden hun identiteit hebben behouden (dat betekent dat ze de Torah hebben gehouden tot nu toe) en dat de profetieën hun vervulling vinden in dat volk. Het joodse volk is inmiddels (gedeeltelijk) in hun land teruggekeerd. Ondertussen zien we dat de kerk haar plaats opnieuw een het herzien is ten opzichte van het Joodse volk.

Dit onderscheid tussen Jood en niet-Jood, wat naar mijn idee ook is tussen joodse gelovige en niet-joodse gelovige, was ook na de Reformatie nooit duidelijk geweest. Nog steeds is het niet duidelijk. Ik ben er op dit moment een boek over aan het schrijven om te laten zien dat er inderdaad een onderscheid is, ook ten tijde van de apostelen.

Het Joodse volk en de Torah zijn met elkaar verbonden. Daardoor is het volk Joods, het is hun identiteit. Het probleem is dan dat Israël die zich verbonden heeft aan de Torah, niets kan veranderen aan deze Torah. Dat zou alleen kunnen door de autoriteit van Jezus. Een expliciete openbaring van Jezus aan het volk Israël. Waarbij dan te kennen wordt gegeven dat de Torah niet meer vervuld zou moeten worden zoals Mozes heeft bevolen. Bijvoorbeeld dat de offerdienst niet meer nodig is.

Wij, de kerk als niet-Joden zijn toch niet in staat om dat te doen voor het Joodse volk? Ook het Nieuwe Testament geeft dat niet aan. Joodse gelovigen bleven joods leven. Het Joodse volk, ook de apostelen en ander gelovige Joden, hebben altijd geofferd zolang de tempel er stond. Naar mijn idee kunnen wij (of beter de kerk) niet bepalen voor het Joodse volk hoe je de Torah moet houden.

Het tweede punt is dan dat de opstellers van de NGB het verschil niet zagen en dus niet zozeer oordeelden voor het Joodse volk: Er was maar één volk en dat was Israël uit Jood en Heiden, eigenlijk de Kerk.

Met dat in het achterhoofd, ga ik nu het artikel voorlezen over het “afdoen der ceremoniële wet”.

Artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis:

Van het afdoen der ceremoniële wet.

Wij geloven dat de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben met de komst van Christus, en dat alle schaduwen een einde genomen hebben; alzo dat het gebruik daarvan onder de Christenen weggenomen moet worden; nochtans blijft ons de waarheid en substantie daarvan in Christus Jezus, in Denwelken zij hun vervulling hebben. Intussen gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te reguleren, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens Zijn wil.”

“Wij geloven dat de ceremoniën en figuren der Wet

Dit is een onduidelijke aanduiding. De tempel ceremonieen zou duidelijker zijn geweest, maar dat sluit andere dingen uit die de kerk ook niet meer houdt, zoals b.v. het loofhuttenfeest. En wat wordt er met “figuren der wet” bedoeld? De figuren gelden niet meer maar de “waarheid en substantie” daarvan wel. Dit slaat dan niet op de vergeestelijking van de wet, want dat gebruikt de kerk wel. Wat zijn “de figuren” dan? Die vraag blijft bij mij.

Dan verder: “opgehouden hebben met de komst van Christus en dat alle schaduwen een einde genomen hebben”. Probleem hier is dan het vraagstuk waarom Paulus de wet tot het einde van zijn leven gehouden heeft. Want dat blijkt duidelijk uit de laatste hoofdstukken uit het boek Handelingen. Voor het Joodse volk (zoals voor Paulus) heeft het niet “opgehouden”.

Voor de christenen ligt hier eigenlijk de kern van de zaak. Met de uitdrukking dat de schaduwen een einde genomen hebben wordt bedoeld dat de wet vervuld is geworden in Christus. Dit geldt in het bijzonder voor christenen die Jezus als de Messias hebben aangenomen. De vervulling van de Torah is de zaligheid. In ultieme zin, eigenlijk is de volmaakte vervulling van alles pas na dit leven, waar het eeuwig leven in Jezus is geworden. De volmaakte vervulling van alles, van de (her)schepping. Dat is begonnen met de komst van Jezus. Het probleem hier is dat het Joodse volk deze Jezus (en de vervulling) niet heeft aangenomen. Maar dat (om die reden) de vervulling van de Torah en daarmee de zaligheid, de heidenen, of beter, niet-Joodse gelovigen is geworden.

“Alzo dat het gebruik daarvan onder de Christenen weggenomen moet worden.” Wat mij betreft ligt hier iets moois in. Als tenminste onder “de christenen” wordt verstaan dat dit de niet-joodse kerk of gemeente is. Het is immers op het Jeruzalem convent besloten dat christenen (niet-Joodse gelovigen) de Torah niet hoeven te houden. (Hand.15) Precies wat Paulus voorstond bij de gemeente van Galatie. Niet-Joodse gelovigen moesten niet door (Judaiserende) Joodse gelovigen de Torah worden opgelegd. Daardoor kwam de zaligheid niet dichterbij, integendeel. In dat opzicht “moet het onder christenen weggenomen worden”, De Torah is alleen voor Joden bedoeld.

Nochtans blijft ons de waarheid en substantie daarvan in Christus Jezus”. Wat wordt bedoeld met “waarheid en substantie”? Dat is voor mij onduidelijk. Het is wel een duidelijk statement dat de waarheid in Christus Jezus blijft bestaan. Dat is heel mooi, want zodanig blijft de Torah van kracht met tittel en jota. Alleen het is hier de uitleg van die waarheid die voor onduidelijkheid kan zorgen.

“In Denwelken zij hun vervulling hebben.” En dus is alles in Christus vervuld. Alleen de uitwerking van de vervulling is onder de Joden als verbondsvolk nog niet te vinden.

“Intussen gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te reguleren, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens Zijn wil.” Wat zijn “de getuigenissen”? Ook hier dezelfde onduidelijkheid. Is het niet juist op basis van deze onduidelijkheid over de wet, dat men een ‘pick and choose’ mentaliteit ontwikkeld? Dat men zelf gaat kiezen wat er van de wet moet worden gehouden en wat niet? “Gebruiken wij nog” hetgeen wat kerkelijk wordt overeengekomen? Bijvoorbeeld: een vrouw mag geen mannenkleding aan, maar er mag wel varkensvlees worden gegeten? Of: De sabbat moet je houden, maar het Loofhuttenfeest niet?

Ik denk dat de intentie van dit artikel 25 wel goed is. Maar het niet onderkennen van het onderscheid tussen Jood en niet-Jood, ook onder gelovigen, maakt het onduidelijk en eigenlijk niet toepasbaar.

Wat dan? Is de Nederlands Geloofsbelijdenis niet goed? Ik meen dat deze belijdenis met zulke uitmuntend goede uiteenzettingen, zoals b.v. van de rechtvaardigmaking, zeker wel goed is. Maar ook het christendom heeft net als het jodendom gebreken omdat nog niet alles in de uitwerking vervuld is. En dat geeft dat we niet alles kunnen doorzien. De tijd is hierbij de beste leermeester. Vooralsnog zou ik zeggen: Bij twijfel vasthouden aan de “drie formulieren van enigheid” als uitleg van de bijbel. Voor Christenen.

De eerste christenen, jaren 30-70

Inleiding mannenvereniging, 19-10-2018

“Om de eerste ‘christenen’ te verstaan, moet je kennis hebben van het jodendom. Ze waren immers Joden. De Apostelen waren Joden. De Heere Jezus was een Jood. Jakobus die de eerste gemeente te Jeruzalem leidde, werd door de meeste Joden hoog gewaardeerd vanwege zijn rechtvaardigheid. Daarom werd hij ook Jakobus de Rechtvaardige genoemd. Deze gemeente te Jeruzalem was de hoofdgemeente, die de dienst uitmaakte. Dit was dus een joodse gemeente in een joodse synagoge waar volgens de joodse wet werd geleefd.”

Lees de inleiding hier:
De eerste christenen, jaren 30-70

Punt 1: Het joodse karakter van de eerste gemeente.
Punt 2: Wat Paulus met de wet bedoelde.

De tempel zoals hij er uitzag in de tijd van de apostelen

De tempel en omgeving zoals het er uitzag in de tijd van de apostelen

De Olijfboom en Israel

In het RD 12-10-2018 reageert ds. Dirk Visser op het protest van 5 PKN predikanten tegen het manifest van ds. J. Offringa.

Hierbij een reactie van mij.

Hij gaat in op een uitspraak van de vijf predikanten dat “de kerk als een wilde tak geënt is op Israël als de tamme olijf” (Rom. 11:17). Waar hij vervolgens vraagtekens bij stelt. Tenslotte stelt hij dat de stelling dat de kerk die de verbondenheid met Israël opzegt de tak doorzaagt waarop zij zit, onhoudbaar is.

Dat hij daar een stelling van maakt is denk ik een beetje onterecht ten opzichte van de vijf, maar anderzijds is die gebrekkige stelling best te verdedigen.

Waar ik hier op in wil gaan is de uitleg van de olijfboom en de takken naar het beeld wat Paulus opvoert. En inderdaad Paulus gaat heel flexibel met zijn beeldspraak om. Je kunt het niet gebruiken zoals ds. D. Visser terecht opmerkt door elk onderdeel een (theologische) duiding te geven. Paulus ging doorgaans ook flexibel met bijbelteksten om. Hij was zeer wijs en kende de schriften zeer goed. Maar hij baseerde alles wel op de Torah. Hoe kan het ook anders.

Als een rode draad door het beeld van olijfboom loopt het joodse begrip van de eerstelingen. Paulus begint hiermee en verwijst met deze eerstelingen vakkundig naar de Torah. Daar ligt het beginsel van zijn rede. De eerstelingen (garven) van de gersteoogst kwamen daags na het paasfeest. (Dat markeerde het begin van de omertelling, wat 49 dagen duurde, en uitliep in het pinksterfeest.) Deze eerstelingen waren heilig en daarvan werd deeg gemaakt. Dat deeg was dus ook heilig zo redeneert Paulus in vers 16. Er werd immers brood van gebakken voor God. (Lev.23:17)

Op basis van die eerstelingen vormt Paulus zijn beeld van de olijfboom. Hij zegt dan: “Indien de wortel heilig is, zo zijn ook de takken heilig.” (Vers 16) Het Joodse volk had dus een heilig beginsel, en het bleef heilig. Dat is de conclusie en vormt de grondslag van het beeld van de olijfboom.

Dat Paulus in Rom.11:16 op het deeg wijst sluit de verklaring van ds. D. Visser uit dat met de eerstelingen de aartsvaders zouden worden bedoeld.

Het is Israël waar God Zich aan heeft geopenbaard. Dat volk kreeg de wetten en de verbonden. Niet Ismaël de zoon van Abraham of Esau de zoon van Izak. Maar met Israël is God het verbond aangegaan. Zij kregen het Woord. Zij kregen de Messias en zullen Hem nog aannemen volgens Paulus. Zij hebben een heilige wortel volgens Paulus en daarmee zijn die afgebroken takken ook heilig.

Het zou beter zijn voor ons als we wat meer respect zouden hebben voor dat volk. Voordat we ook als takken afgebroken worden. (Rom.11:21) Want het is voorwaar geen kleine zaak dat ze dat woord van de Sinaï op zich genomen hebben. Zowel de zegen als de vloek hebben ze gedragen. Om dat Woord wat wij nu om niet hebben ontvangen. En als het dan door hen is gekomen dat wij de Messias hebben ontvangen en zij nog onder het oordeel verkeren, hoe veel te meer respect zou je verwachten van de christelijke kerk! Maar ook hierin zien we hoe verdorven we zijn. Niet beter dan Israël! De zonde komt in ons niet minder openbaar. We hebben hetzelfde nodig. En dat is Jezus en Hij is niet goedkoop de wereld in gekomen. Hoe ernstig is de waarschuwing van Paulus aan de niet-joodse gemeente: Heb geen hoge dunk van uzelf maar vrees! (Rom.11:20) Laat het dan maar een mysterie zijn voor wat we niet begrijpen. (Rom.11:23) En laten we Paulus zijn visie op Israël in Rom.9-11 maar staan zoals het er staat. Als een “heilig” volk. Een volk met nog een bedoeling van God, anders bestond dat volk al lang niet meer in 2018.

En als we het woord heilig niet willen gebruiken zoals Paulus het gebruikt, dan moeten we beseffen dat het op zijn minst een afgezonderd volk is met een bijzondere relatie met God. Een volk met het meest heilige boek ter wereld, wat wij dagelijks gebruiken. Met de meest expliciete beloften die nog vervuld moeten worden. Het volk van die God die Zich ook aan ons, niet-Joden, heeft geopenbaard. Israëls getrouwe God.

Joden, Jodengenoten, Godvrezenden en heidenen

Uit hen ontstond de kerk.

Lukas noemt in zijn boek Handelingen vier onderscheiden soorten mensen die deel uitmaken van de gemeente van Jezus Christus. Het begon met Joden en Jodengenoten, (Hand.2:10) daarna (een aantal jaren later, Hand.10) kwamen er Godvrezenden en heidenen bij.

Joden

Vrij eenvoudig wie dat waren. Je was een Jood als je uit een Joodse moeder geboren was. Daar begon de christelijke gemeente mee. Jezus, de Apostelen en andere joodse bekeerlingen tot Jezus.

Jodengenoten480px-people_icon-svg

De Statenvertalers gebruikten dit woord. Waar in het Grieks het woord “proseliet” staat, werd dit als “jodengenoot” vertaald. (Mt 23:15; Hd 2:10; 6:5 en 13:43) Dit waren heidenen die waren overgegaan tot de Joodse godsdienst. Het waren dus eigenlijk ook Joden, maar omdat zij proselieten waren, werden ze hun leven lang gekenmerkt door deze status van proseliet. Het Hebreeuwse begrip daarvoor is: Ger. (Vreemdeling) De Septuaginta vertaalt het woord Ger ook met proseliet. Jodengenoot staat dus voor het Hebreeuwse begrip Ger. Een Ger was besneden en maakte volledig deel uit van het Israëlitische volk.

Godvrezenden

Dit waren mensen, heidenen, die sympathiseerden met de Joden. Zij deden mee in bepaalde mate met de joodse gebruiken en tradities, maar waren niet besneden. Zij waren niet Joods zoals de Jodengenoten. God-fearer in het Engels. De kamerling van Candáce en Cornelius van Caesarea waren zulke mensen.

Heidenen

Alle anderen die niet in eerstgenoemde drie categorieën vallen. Gojiem in het Hebreeuws. Maar Godvrezenden zijn ook gojiem, ze zijn immers geen Jood. Gojiem is een Hebreeuws begrip voor alle niet-Joden.

Binnen de joodse godsdienst is het onderscheid tussen Jood en niet-Jood belangrijk. Joden en Jodengenoten zijn Joods, Godvrezenden en heidenen zijn niet-Joods. Dit onderscheid is van belang, want bij de beschrijving van het pinksterfeest heeft Lukas het over Joden en Jodengenoten. (Hand.2:10) Het pinksterfeest was dus nog een joodse aangelegenheid. Pas later kwamen er niet-Joden bij, Godvrezenden en Heidenen. Zo rond het jaar 37 kwam op deze mensen de Heilige Geest, te beginnen met Cornelius. (Hand.10) Het Pinksterfeest (feest der eerstelingen) werd vervuld aan de Joden. Het loofhuttenfeest (feest der inzameling) moet nog vervuld worden. Maar “de zaligheid is de heidenen geworden”, Rom.11:11

Torah leren! Aldus Paulus aan Joodse Christenen

Over het algemeen spreekt Paulus in zijn brieven niet-Joden aan. (Christenen uit de heidenen) Maar een enkele keer horen we hem spreken tot zijn joodse broeders. Zo ook aan de Hebreeën, waarvan hij verwacht dat ze een zekere kennis van de wet hebben. In Paulus zijn andere brieven hoor je de aansporing om gerechtigheid uit de wet te leren niet. Eerder het tegendeel. Maar in zijn brief aan de Hebreeën geeft Paulus zijn joodse medegelovigen ervan langs omdat ze te weinig gerechtigheid hebben geleerd. Te weinig Torah studie, bedoelt een Jood zoals Paulus dan te zeggen. Vanwege de tijd (de leeftijd), zegt Paulus, hadden ze leraars der wet moeten zijn, geleerde Rabbijnen. Maar nu zijn ze nog kinderen in de zaken van het onderscheid tussen goed en kwaad. Ze willen de nieuwe gemeente wel onderwijs geven, maar ze hebben het zelf eerst nodig. Ze moeten meer les krijgen van de Joodse wetgeleerden.baismedrashinterior

“Want gij, daar gij leraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van node, dat men u lere, welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en gij zijt geworden, [als] die melk van node hebben, en niet vaste spijze. Want een iegelijk, die der melk deelachtig is, die is onervaren in het woord der gerechtigheid; want hij is een kind. Maar der volmaakten [volwassenen in kennis] is de vaste spijze, die door de gewoonheid [praktisering] de zinnen geoefend hebben, tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.” (Heb.5:12-14)

Dat Paulus zegt: “dat men u lere”, wie zou hij dan met “men” bedoelen? Het is meervoud, dus het moet op meerdere mensen slaan die onderwijs kunnen geven. Dat zijn in die tijd joodse geleerden. Zij gaven onderwijs in de wet, net als Rabbijn Gamaliel aan Paulus. (Hand.22:3)

Het moet Paulus ook wel tot droefheid gestemd hebben dat hij onder zijn joodse broeders, de Hebreeën, geen “leraars van het woord der gerechtigheid” tegenkwam. En het geeft ons te kennen dat de “tijden der heidenen” waren aangebroken met de dood en opstanding van Jezus en niet de tijd van de verlossing van de Joden.

Overigens bedoelde Paulus natuurlijk zeker niet dat ze enkel moesten gaan studeren met hun menselijk verstand. Dat brengt hoogmoed en misverstanden. Maar de wijsheid die de Heilige Geest paart aan het verstand door de grote Profeet Jezus, die moet door het woord verkregen worden. Verlichting van het verstand. Dat geeft de Joden “die de woorden Gods zijn toevertrouwd” (Rom.3:1) een bijzondere roeping. Wat dat betreft ligt er nog een bijzondere belofte, wanneer de Geest op hen zal uitgestort worden. (Zach12:10) En tot een licht der volken zullen zijn. (Jes.2 en 51:4)