De Noachidische Geboden [IV]

Rabbijnse visie op christenen

Binnen het rabbijnse jodendom werd over het algemeen aangenomen dat christenen zich niet aan de Noachidische geboden houden vanwege afgodendienst. Als Jezus volgens de Joden de Messias niet is, ben je immers een afgodendienaar. Dit is vrij radicaal, maar te begrijpen vanwege de scherpte van de christelijke leer, zoals b.v. verwoord in Joh. 6. Tegenwoordig, na de oorlog, lijkt de consensus echter dat Christenen ondanks het dogma van de triniteit wel aan de Noachidische geboden voldoen.number7_PNG18637

Er zijn echter ook enkele rabbijnen van voor de oorlog die het anders zagen. Zij beschouwden de triniteit als een leerstuk waar de christelijke kerk volgens hen onbewust in faalt. Waardoor er geen sprake is van afgoderij. In dat geval houden christenen zich aan de Noachidische geboden.

Zo hadden rabbijnen Maimonides en Rabbijn Jehuda Halevi een positieven kijk op Christenen. Zij zagen het christendom als een wegbereider voor het Messiaanse rijk. Tesamen met de Islam overigens.

Rabbijn Jacob Emden was bijzonder positief over christenen. Hij was van mening dat het juist de bedoeling was dat Christenen zich aan de Noachidische geboden houden, op basis van Hand.15. Hij maakt als orthodox en hoog gerespecteerde Rabbijn een uitzondering onder de Rabbijnen. Hij beschreef in een aantal geschriften zijn visie op Christenen.[10] Hij had onderzoek gedaan naar de oorsprong van de Christenen. Hij concludeerde dat Jezus en Paulus een religie wilde stichten voor de niet-Joden op basis van de 7 Noachidische geboden.[11] Hij wees erop dat Jezus volledig volgens de Halacha leefde en ook Paulus deed dat en leefde zo binnen het jodendom. Hij wees erop dat Paulus zei dat de Joden (en iedereen) in hun bijzondere roeping moesten blijven leven, volgens 1Cor.7:17-20.

Er zijn meer Rabbijnen die erop wijzen dat Christenen hun religie kunnen uitoefenen op basis van de 7 Noachidische geboden. Zoals Rabbijn Elia Benamozegh (1822-1900). Hij adviseerde zijn vriend, de Franse tot priester opgeleide Aimé Pallière (1868-1949), Christen te blijven toen deze twijfelde of hij zich misschien tot het jodendom zou bekeren. Het werk in de kerken kan (door een niet-Jood) met meer vrijheid gebeuren dan dat een Jood kan permitteren, was zijn redenering. Bovendien vroeg Benamozegh zich af, “zou God dan zonder openbaring en wet met zijn oude Noachidische verbondsvolk verder gaan? Zou Hij daar niet voor zorgen?”.[12] Aldus wees hij op het belang van het Noachitisch verbond.

Onderzoek

De vraag kan worden gesteld waarom er niet meer onderzoek naar de Noachidische geboden is gedaan gedurende de periode van de christelijke kerk. Dit is een legitieme vraag. De Noachidische geboden lijken immers juist voor de christenen bedoeld. Er zou vanzelfsprekend onderzoek en discussie over dit onderwerp moeten zijn. Net zoals dat er was in de tijd van Paulus.

[10] Rabbi Jacob Emden, “Teshuvath ha-Mechaber le-Sho’alo al odoth ha-Minim she-Mat’im la-Notzrim”, Seder Olam Rabba ve-Zuta u-Megillath Ta’anith, Hamburg, Schröder, 1757, p.33b. En: “Resen Mat’eh” in Sefer Shimmush, deel 2: Metheg le-Chamor, Amsterdam, 1758, p.16a.
[11] Falk, H. (1985). Jesus the pharisee. p. 113.
[12] Pallière, Aimé. (1930). The Unknown Sanctuary. p.224.

Advertenties

De Noachidische Geboden [III]

De Noachidische geboden in het Oude Testament

Voorafgaand aan de Noachidische geboden wordt in de eerste hoofdstukken van Genesis beschreven dat de mensen zich bezondigden aan deze geboden. Hieruit kan als gevolgtrekking worden genomen dat men al wist van deze geboden. Goed en kwaad was bekend bij Adam door Goddelijke kennisgeving. (Gen.2:16-17) En vandaar ook bekend bij zijn kinderen en kleinkinderen die in de wereld voor de zondvloed leefden. Het is aannemelijk dat men met regelgeving onder Goddelijk gezag bekend was, zoals Rabbijnen ook aangeven dat de Noachidische geboden al bekend waren, uitgezonderd de laatste twee die Noach pas na de zondvloed te horen kreeg.

Heenwijzingen vanuit het Oude Testament naar de Noachidische geboden tot en met de tijd van Noach zijn te vinden in de volgende schriftgedeelten volgens Rabbijn Chaim Eisen: [5]

  1. Doodslag. Gen.4:8.
  2. Afgoderij. Gen.4:26, Bij de geboorte van Enos: De naam des Heeren werd ijdel aangeroepen.
  3. Sexuele immoraliteit. Gen.6:2, Gen.2:24.
  4. Stelen/Geweld. Gen.6:11 (Betekenis stelen kan worden afgeleid van het Hebreeuwse woord hamas (geweld), zoals dat voorkomt in Jes.59:6 en Jona 3:8 in combinatie met geweld. “Geweld in de handpalm”. Handpalm wordt gebruikt voor inbezitneming.)
  5. Godslastering. Moord van een mens in Gods beeld geschapen is gelijk aan Godslastering. Gen.9:6
  6. Geen bloed eten, Gen.9:4 (Niet van een levend dier eten)
  7. Verbond met Noach, Gen.9:9 (Instelling van de regels)

De Noachidische geboden in het Nieuwe Testament

De vergadering te Jeruzalem zoals Lukas die in Handelingen 15:1-29 heeft beschreven, is een belangrijk moment geweest voor de kerk. Daar werd de verhouding tussen Jood en niet-Jood aangegeven. De joodse gemeente van Jeruzalem die toen de autoriteit had over de gemeenten, heeft toen een besluit genomen over de toepassing van de joodse wet voor de niet-joodse gelovigen.

Met dat besluit werden de eerste regels uitgevaardigd specifiek voor de niet-joodse gelovigen. Er werd daar voor (en door) de joodse leidinggevenden zoals Jakobus, Petrus en andere apostelen een duidelijk verschil aangegeven tussen Jood en niet-Jood. Dit door te stellen dat niet-joodse gelovigen konden volstaan met enkele geboden, in plaats van de gehele Torah op zich te nemen door besneden te worden. (Hand.15:1 en 10) Een voor de hand liggende veronderstelling is dat dit besluit op basis van de Noachidische geboden tot stand is gekomen. Dit besluit is immers vanuit de joodse context (traditie) genomen, waarbij ook bekeerlingen uit “de sekte der Farizeeën” waren. (Hand.15:5)voorzittershamer2

Het is onvoorstelbaar dat men hier de joodse wet, de Torah, geweld aan zou doen, in de zin van dat de beperking ook voor de Joodse gelovigen zou gelden. De Torah waarvan immers geen tittel of jota van zal ontbreken volgens hun grote Meester Jezus, kon men niet wijzigen. De Noachidische regels waren onderdeel van deze Torah, ondanks dat ze daarin niet beschreven zijn. Het is juist Jacobus die blijk geeft van het bestaan van enkele van de Noachidische geboden, die in zekere zin bekend waren binnen de joodse overlevering.

De Torah wordt verschillend toegepast op de Joden (besnijdenis) en de niet-Joden (voorhuid, zoals Paulus dat noemt, Rom., Gal. etc.) Enerzijds te Torah als geheel waar geen “tittel of jota” van zal verdwijnen, (Matth.5:18, Luk.16:17) waar alles en iedereen onder valt. Anderzijds de verschillende toepassingen van de Torah, zoals voor Jood in het bijzonder, de priester en gewone burger, man en vrouw enz. Maar ook voor de niet-Jood.

Het is echter op het eerste gezicht lastig om duidelijk te stellen dat de Noachidische regelgeving aan de basis ligt van het besluit van het Jeruzalem convent.

Het gaat in Handelingen 15:20 om vier geboden. De letterlijke tekst is (SV):

“Maar hun [niet-joodse gelovigen] zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen,

  1. die door de afgoden besmet zijn,
  2. en van hoererij,
  3. en van het verstikte,
  4. en van bloed.”

De klassieke uitleg is dat er hier vier op zichzelf staande geboden worden gegeven. Waarbij dan vaak verwezen wordt naar Leviticus 17-18. In Leviticus 17-18 komen overeenkomstige regels voor die voor de vreemdelingen (niet-Joden) zijn bedoeld.

De reden waarom Jakobus ze als zodanig noemt, lijkt te maken te hebben met de heidense afgoderij van die tijd.[6] Ze kunnen echter alle vier worden teruggeleid op de basis van de Noachidische geboden. Zij zijn door de mondelinge overlevering meegenomen en daarom zijn ze ook niet letterlijk als een rijtje van zeven voorhanden zoals we ze nu uit de Talmoed kennen. De eerste keer waar de zeven geboden worden genoemd is in de Tosefta, Avoda Zara 8.4.

Om het verband aan te tonen van de vier geboden uit Handelingen 15 met de Noachidische geboden kan het volgende worden genoemd:

  1. Het specifieke verbod op eten van offervlees zou bedoeld zijn om de gezamenlijke maaltijden mogelijk te maken van joodse- en niet-joodse gelovigen, c.q. het heilig avondmaal. Komt als zodanig overeen met het Noachidisch verbod op afgoderij.
  2. Verbod op hoererij is een Noachidisch gebod. (Lev.18)
  3. Verbod op het verstikte kan betekenen dat dieren (ritueel) op de juiste manier geslacht moeten worden, zodat het bloed er goed is uitgelopen. (Lev.17) Komt overeen met Noachidisch gebod over dieren.
  4. Verbod op bloed kan afgezien van bloed consumptie, ook moord betekenen.

Dat deze vier geboden de Noachidische geboden als basis hebben, wordt steeds meer door verschillende deskundigen ondersteund.[7] Naast Handelingen 15 kan ook Romeinen 13:1-7 worden genoemd.[8] Paulus wijst daar op de gehoorzaamheid aan de overheid, wat een Noachidisch gebod is.

Prof. dr. G. C. Den Hertog geeft in een preekschets over dit onderwerp aan dat het in Hand. 15 over de 7 Noachidische geboden gaat. Hij noemt ook de implicatie daarvan: “Door de gelovigen uit de volkeren te verplichten zich aan de Noachidische geboden te houden, bevestigt het apostelconvent de tweedeling tussen Israël en de volkeren op het punt van de Torah.” (Hij benadrukt dat het hier om de Torah gaat en noemt anderzijds ook de eenheid en gelijkheid van de gelovigen zoals omschreven in Efeze 2.) Hij noemt ook de gevaren wanneer deze regels van het Jeruzalem convent niet als de 7 Noachidische geboden wordt uitgelegd: “(1) Ten eerste kunnen de synagoge – en de jodenchristenen – dan de kerk afdoen als ‘een nieuwe religie’. Wat Rabbijnen dus ook doen. (2) Datzelfde geldt ook in omgekeerde richting: als de kerk zich gemakkelijk afmaakt van de geboden, zal ze de wet als natuurwet gaan beschouwen en zich daarmee ook op haar beurt losmaken van Israël. En dat is geschied. (3) In de derde plaats zijn de Noachidische geboden van belang als grondslag voor een rechtsorde. Het verbod op afgoderij – denk ook aan art. 36 NGB – raakt de grondslagen van onze samenleving, die ernstig bedreigd wordt als oude en nieuwe goden (nationalisme) ons denken en leven bepalen.”[9]

[5] Eisen, Chaim. (2016) Genesis 9: The Legacy of Noah. Lecture. YouTube: https://youtu.be/KGu20HFC7-o
[6] Levine, A., & Brettler, M. Z. (2011). The Jewish annotated New Testament. p.229.
[7] Cary Gilbert (The Jewish annotated New Testament, 2011, Hand.15), David H. Stern (Messianic Judaism, 2007, p.154-157.) Mark D. Nanos, die erop wijst dat het over ethische kwesties gaat. (The Mystery of Romans, 1996, p.170.) David Flusser en Shmuel Safrai (“Das Aposteldekret und die Noachitischen Gebote,” in Wer Tora mehrt, mehrt Leben: Festgabe fur Heinz Kremers (ed. E. Brocke and H.-J. Borkenings; Neukirchen-Vluyn, 1986), p.173-192.)
[8] 
Van Drunen, D. (2016). Power to the people: Revisiting civil resistance in Romans 13:1-7 in light of the Noahic covenant.
[9] Hertog, G. C. d. (2018). Preekschets over handelingen 15:19-21. Webpagina, geraadpleegd 2019-3.

De Noachidische Geboden [II]

Verschil met het volk Israël

Zo’n 500 jaar na Noach traden God en het volk Israël in een verbond beschreven in de Torah. Zij kregen bovenop de Noachidische wet een eigen (Mozaïsche) wetgeving, zeer uitgebreid. Ze werden apart gezet als een voorbeeld volk. Voor alle andere volken (nakomelingen van Noach) bleef echter de Noachidische wetgeving van kracht. Het verschil tussen deze joodse en niet-joodse wetgeving en daarmee Joden en niet-Joden, is in de bijbel goed te traceren.

Volgens oude bijbelse traditie verkeerden er altijd niet-joodse mensen onder het volk Israël. Sommigen geheel ingeburgerd, anderen zonder enige integratie. De eersten waren dan besneden en deden volledig mee met de joodse tradities. Een paar geslachten later waren ze dan volledig joods. Deze “vreemdelingen en bijwoners”, (zoals de Statenvertaling ze consequent vertaalt) worden aangeduid met het Hebreeuwse begrip ‘Ger Toshav’. Dat geldt voor zowel besnedenen als onbesnedenen. (Zie hierover paragraaf “Vreemdeling en Bijwoner”.) Zij moesten zich minimaal aan de Noachidische geboden houden. Zo konden ze meegaan met het volk Israël en dienden ze ook daadwerkelijk de God van Israël, de enige God.Jews_Praying_in_the_Synagogue

In de bijbel komen verschillende typen van Ger voor. [4] Degenen die ‘Ger Toshav’ werden genoemd en niet besneden waren, dienden de God van Israël en woonden bij het volk Israël. De basiswetgeving voor hen waren de Noachidische geboden. Ook voor dezen was verzoening mogelijk met God. (1Kon.8:41-43) Zij deelden ook in de gebeden, zoals de niet-Joden bij de tempel van Salomo konden komen bidden. Daar was ook de Goddelijke aanwezigheid, en de vergeving van zonden, en de verhoring der gebeden. (1Kon.8:11; 38-39; 42-43)

Deze traditie van omgang met niet-Joden, die mee wilden gaan of onder het volk Israël wilden wonen, werd in het bijzonder door de apostel Jakobus naar voren gebracht tijdens de vergadering te Jeruzalem, beschreven in Handelingen 15. Ook wel het Jeruzalem Convent genoemd. Daar werd besloten dat bekering tot het jodendom niet nodig was voor de nieuwe niet-joodse gelovigen in Jezus. Het feit dat de Heilige Geest op deze niet-joodse mensen kwam, was tot zekere hoogte overeenkomstig de oude traditie, hoewel in de tijd voor Christus niet zo direct en in die mate als bij Cornelius in Hand.10:44-45. Met inachtneming van de verschillen werd ook gesteld dat beiden, Joden en niet-Joden, deelden in de zaligheid die er gekomen was door de Messias Jezus.

Hier dient te worden opgemerkt dat het begrip ‘Ger’ in het jodendom zich steeds meer ontwikkelde als aanduiding voor proselieten. Zo wordt het in het Nieuwe Testament ook gebruikt. Daar worden deze mensen aangeduid als proseliet. De Statenvertaling vertaalt dit als “jodengenoot”. Dat zijn besneden mensen, bekeerd tot het jodendom, die volledige omgang met de Joden (mogen) hebben.

In het Nieuwe Testament worden mensen die (nog) niet-joods zijn en onbesneden, maar wel de enige God van Israël dienen, aangeduid als Godvrezenden (σεβόμενοι τὸν θεόν / sebomenoi ton theon, Matth.23:15, Hand.2:11; 6:5; 13:43). De Godvrezenden (zoals Cornelius, de Romeinse hoofdman over honderd) houden zich in ieder geval tenminste aan de Noachidische geboden. Het kan zijn dat ze zich aan meerdere geboden van de Torah houden, maar de Noachidische geboden (zoals ze werden verstaan bij het Jeruzalem convent) waren verplicht als minimaal.

Hoofdzakelijke bedoeling

De Noachidische geboden kunnen net zoals de tien geboden worden samengevat als het ‘gebod der liefde’. Anders gezegd: om het kwaad geen ruimte te geven. De apostel Johannes wijst met nadruk op dit gebod der liefde in zijn evangelie en zijn brieven. Ook Paulus wijst op de samenvatting of vervulling van de wet. “De liefde doet den naaste geen kwaad. Zo is dan de liefde de vervulling der wet.” (Rom.13:10) Paulus wijst daarbij op het geloof in Jezus, wat die liefde mogelijk maakt.

Zo gingen Paulus en de andere apostelen vanuit de joodse traditie evangeliseren onder de heidenen, zonder enige regel te overtreden van de joodse wet. Hun missie was conform de algemene joodse missie van toen, om heidenen onder het Noachitisch verbond te krijgen. Dat geldt nog steeds voor Joden; ze zijn er niet op uit om bekeerlingen te maken voor het jodendom. Het gaat er hen om dat alle volkeren aan de enige ware God onderworpen zijn.

Dat er onder sommige gelovigen wel Joden waren die niet-Joden wilden laten besnijden tot Jood-zijn, zoals in Galaten is te lezen, had te maken met de intensiteit van de Heilige Geest die in deze niet-Joden werkte. Dit was nooit eerder gezien. De Heilige Geest hoorde bij het Joodse volk; het was hun God. De logische implicatie van (deze verkregen) heiligheid was het houden van de geboden. Iemand die gedoopt werd door de Heilige Geest had direct een bijzondere status. Deze Joden (‘Judaiseerders’) wisten met deze nieuwe situatie nog niet goed om te gaan. Paulus corrigeerde hen.

[4] Vevle, O. M. S. (2013). Resident proselytes, God-fearers and the Noahide laws. Chapter 1.

De Noachidische Geboden [I]

De Noachidische geboden zijn volgens de Rabbijnen zeven regels die aan Noach zijn gegeven en zijn bedoeld voor de gehele mensheid. De basis van deze regels is te vinden in het bijbelboek Genesis 9. Maar het is vooral de joodse overlevering die duidelijk maakt dat het over een totaal van zeven regels gaat. De meeste informatie hierover is te vinden in de Babylonische Talmud, Sanhedrin 56-60.[1] Maar ook op andere plekken in de Talmud zijn er referenties te vinden. Daarnaast is er natuurlijk veel informatie te vinden in het hedendaagse Rabbijnse Jodendom.
rainbow-2278774_1280
De Rabbijnen voeren deze eerste algemene geboden terug op Adam. Hij zou al geboden en instructies hebben gekregen. Het eerste bekende verbod is aan Adam gegeven nadat hij was geschapen. (“daarvan zult gij niet eten”, Gen.2:16-17) Verder blijkt uit de allereerste geschiedenis tussen Adam en Noach, dat er meerdere geboden bekend waren. Zoals bij Kaïn en Abel het verbod op doodslag. Bij Noach na de zondvloed, kwam er een vernieuwing van de geboden toen God samen met Noach een verbond sloot. Noach en daarmee heel de mensheid, vielen daaronder. Het waren universele wetten. Genesis 9:8-9 vermeldt: “Voorts zeide God tot Noach en tot zijn zonen met hem, zeggende: Maar Ik, zie, Ik richt Mijn verbond op met u, en met uw zaad na u.” De geboden (voorafgaand, vers 1-7) behoren tot dit verbond. Sommige Rabbijnen menen dat Adam deze zeven geboden al had ontvangen. In ieder geval wordt onder de Rabbijnen aangenomen dat Noach de zeven geboden kreeg zoals we ze nu kennen via de Rabbijnse overlevering.

In de bijbel worden drie van deze Noachidische geboden genoemd voor Noach:

  1. Het verbod op eten van bloed of lidmaat van levend dier. “Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.” (Gen.9:4)
  2. Het verbod op doodslag “Ik zal het bloed uwer zielen eisen” (Gen.9:5)
  3. Het gebod van uitvoeren van rechtspraak “Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden.” (Gen.9:6)

Volgens de Rabbijnse overlevering was Noach in ieder geval na de verbondssluiting met God in Gen.9 bekend met een zevental geboden. In het Nieuwe Testament komen deze geboden weer ter sprake in het boek Handelingen, hoofdstuk 15. Daarnaast refereert het boek Jubileeën eraan in het hoofdstuk over de Noachidische geboden (7:20–28). Maar uiteindelijk komt de opsomming zoals we ze nu kennen van de Joodse overlevering.

Dit zijn de zeven geboden zoals ze zijn overgeleverd door de Rabbijnen. De volgorde is niet consequent.

  1. Geen moord
  2. Geen afgodendienst
  3. Geen bloedschande (geen seksuele immoraliteit)
  4. Geen diefstal
  5. Geen godslastering
  6. Niet eten van een lidmaat van een levend dier (geen dierenmishandeling)
  7. Gebod van rechtspraak

De zesde regel over het eten van vlees komt over het algemeen vreemd over omdat dit een regel is die zo uit de oudheid komt. Ongeveer 4300 jaar geleden toen Noach toestemming kreeg om vlees te eten (Gen.9:3) werd deze regel gegeven. Het is een ruwe basis regel. Dat wil zeggen zoals bij de andere geboden, kan hierbij de toepassing afgeleid worden zodat de betekenis ook voor moderne tijden relevant is. Bijvoorbeeld het verbod op doodslag. Doodslag is een extreme daad is, maar het heeft ook betekenis voor een afgeleide daarvan, b.v. de negatieve gedachte over iemand zoals ‘het niet wensen dat hij er is’. Zo ook geven de Rabbijnen hier aan dat dit gebod een algemene regel is voor het welzijn van dieren. In het Nieuwe Testament wordt aangegeven dat het bloed met het vlees niet gegeten mag worden. (Hand.15:20) In het bloed zit de ziel (het leven) volgens de Torah, (Lev.17:14) die ook verbiedt om dit te eten. Als de ziel in het bloed zit, is het ook immoreel om bloed te eten. Zo zal Jacobus ook geoordeeld hebben dat bloed eten een afgeleide is van dit Noachidische gebod en daarmee ook voor niet-Joden toepasbaar. Zo zou ook impliciet kunnen worden aangegeven dat hier in Hand.15 het Noachidische gebod wordt bedoeld. De positieve versie van dit gebod zou kunnen luiden: Respect hebben voor dieren.

De zeven geboden komen in principe overeen met de tien geboden. Met twee uitzonderingen: De preambule “Ik ben de HEERE uw God die u uit Egypte hebt uitgeleid, uit het diensthuis”, en het 4e gebod wat het houden van de zevende dag (de sabbat) gebiedt.

Binnen het christendom, wat deze tien geboden overneemt, hebben de preambule en het 4e gebod geen letterlijke betekenis meer. De preambule wordt genegeerd of vergeestelijkt. Bij het 4e gebod ligt de betekenis op de eerste dag van de week.

De Noachidische geboden zijn bedoeld voor alle mensen, zoals o.a. Maimonides dat zegt en zoals ook de hedendaagse Rabbijnen aangeven.[2] Maimonides zegt dat elk mens die getrouw deze geboden houdt, deel zal hebben aan de toekomende wereld.[3]

[1] b.Sanhedrin 52b, 56-60; Tosefta Avodah Zara 8:4-9. Zie ook: Genesis Rabba 16:6; 34:8. En: Rabbi Moses Maimonides, Mishne Torah, Milchot melachiem oe-milchamoteichem 9:1.
[2] www.aish.com, www.chabad.org
[3] Maimonides (1170-1180). Mishneh Torah, Sefer Shoftim, Laws of Kings 8:10-11.

Als Ezau Jacob omhelst

Edom is een ander woord voor Ezau. Bovendien heeft het woord Edom een profetische lading gekregen. Edom is een belangrijk begrip bij de profetische uitleg van de bijbel.

Edom staat voor het Romeinse rijk. Het staat ook voor de Rooms Katholieke kerk. Dat is de visie van Joden en van Protestanten. Eigenlijk staat het hier dan synoniem voor het christendom. Oftewel: Edom is de kerk en Jacob is Israel.

In die context gaf Rabbijn Irving Greenberg een interessant citaat in zijn boek “For the Sake of Heaven and Earth” (2004). Rabbijn Greenberg heeft een positieve kijk op het christendom, als een van de weinige Rabbijnen. Wat hij daarbij wel stelt is dat het christendom ooit, wanneer de Messiaanse tijd aanbreekt, Israel zal moeten erkennen, en daarbij een tak van het Jodendom zal moeten worden. “They must put away their pride of power and act like loving brothers and sisters.” [1]

Zou dit nu niet kunnen gebeuren tussen geadopteerde broeders? Vraagt hij zich af. En dan citeert hij het volgende:

Rabbijn Naftali Zevi Judah Berlin (1817-1893), een van de vooraanstaande Rabbijnen van zijn generatie en hoofd van de klassieke Volozhin Yeshiva gedurende 40 jaar, schrijft in zijn commentaar Haamek Davar op Gen.33:4 (“Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.”) het volgende: “En zij weenden. Beiden huilden. Dit leert ons dat op dit moment Jacob werd opgewekt om Esau lief te hebben. Zo zal het zijn voor de toekomstige generaties: op het moment dat het zaad van Esau zichzelf zal opwekken in de geest van reiniging om het zaad van Israël te erkennen naar hun waarde, dan zullen ook wij [Joden] ons ertoe aanzetten Esau te erkennen omdat hij onze broer is …” Genesis met het commentaar genaamd Haamek Davar (Jeruzalem: Vaad Ha Yeshivot, 1970, blz. 245) Ik dank Rabbi Yechiel Eckstein voor deze verwijzing. [1]

[1] Greenberg, I. (2004). For the Sake of Heaven and Earth: The New Encounter between Judaism and Christianity. Philadelphia: Jewish Publication Society. Page 97.

IND – vluchtelingen opname in NL

Vluchteling Hayarpi zei:

“Het gaat er niet om wat je meemaakt, maar juist om hoe je ermee omgaat.” (RD magazine, 29-12-2018, p.35)

Wijze woorden. Toen ik dat mooie artikel van haar las, vroeg ik me af welke diepere motieven er schuilgaan achter de menselijke besluiten die gemaakt worden aangaande verblijfsvergunningen.Screenshot 2018-12-31 at 11.52.29

Neem bijvoorbeeld Hayarpi. Uiteindelijk is het toch een menselijk besluit (en geen rekensommetje) wat bepaalt dat ze het land (in dit geval) moet worden uitgezet. Nu heb ik helemaal geen kennis van zaken betreft de IND (Immigratie- en Naturalisatiedienst). Toch kan ik me voorstellen dat het belangrijk is welke mensen met welke achtergronden er werken. Daar waar de besluiten worden gemaakt.

Ik ben kritisch als het gaat om de vluchtelingenstroom en Nederland. Waarom? Niet omdat ik liever geen vluchtelingen opneem. Maar het probleem ligt bij Nederland. Nederland heeft haar christelijke identiteit niet meer. Of erger, kan niet eens haar identiteit benoemen tegenover een vluchteling. Hoe moet een vluchteling zich dan aanpassen?

Hadden we nog maar een christelijke identiteit. We zouden Hayarpi direct opnemen in onze samenleving. Ze zou een ‘zuster’ van ons kunnen zijn. Hoe gemakkelijk kan het zijn?

Ter illustratie: Als ik een vluchteling opneem in mijn gezin, dan is dat omdat er iemand aankomt die in nood is. Op basis van liefde help je zo iemand direct. Blijft hij in het gezin voor een aantal dagen of langer, dan moet hij zich voegen naar de christelijke levenswijze van ons gezin. Wij bidden voor het eten. Lezen uit de bijbel. Geloven in Jezus. Alles op een wijze die we gewend zijn. Die vluchteling wordt ergens anders vermoord en bij ons vindt die liefde en mag bij ons komen. Maar het is wel duidelijk waar we voor staan. Welke identiteit we hebben. Welke gewoonten waar je als vluchteling jezelf aan moet houden. Op zijn minst respecteren. Een moslim b.v. hoeft niet tegen zijn geweten in zijn geloof op te zeggen. Maar hij moet wel weten waar wij voor staan. En ik verander mijn gezin niet. Dan gaat hij maar naar een moslim broeder land als het niet lukt.

Als Nederland een duidelijke christelijke identiteit had, dan lag het vluchtelingenprobleem heel anders. Het zou zelfs voor ongelovigen goed zijn om vanuit een christelijke identiteit te opereren, in dit opzicht.

Ik hoop dat er veel mensen met een christelijke identiteit werken bij de IND. En met passie en liefde. Die weten waar ze voor staan. Of beter gezegd, waar ze voor werken. Voor de Staat der Nederlanden dus. Wat een voorrecht zou het zijn als ze als Christen God dienen, of op zijn minst christelijke waarden voorstaan.

Zie ook:

www.rd.nl/kerkasielbethel

https://gedichtenvanhayarpi.wordpress.com

De ceremoniën der Wet opgehouden? – NGB artikel 25

Hierbij een persoonlijke gedachte over artikel 25 van de Nederlandse Geloofs Belijdenis (NGB), de ceremoniële wet. Wat werd er in die tijd met de “ceremoniële wet” bedoeld? Voor mij een vraag. Lastige vraag omdat er in de bijbel geen splitsing van ceremoniële wetten ten opzichte van andere wetten van de Torah wordt gevonden. Ook niet in het Nieuwe Testament.belgium confession

Het volk Israël heeft zich met een eed aan de Torah verbonden. “Wij zullen [deze Torah] doen en horen” was de respons aan de voet van de berg Sinaï. En de Heere Jezus bevestigde dit volgens Matth.5 dat er geen tittel of jota van de wet zal veranderen.

Bij mij geeft artikel 25 een beetje een probleem. Niet onoverkomelijk. Maar het heeft voor mij verklaring nodig. Het probleem begint met een onderliggend (voor mij) principieel uitgangspunt dat er een scheiding is tussen het volk Israël en de niet-joodse kerk of gemeente van God. Zeg maar het tegenovergestelde van de vervangingsleer: Blijvend onderscheid tussen Jood en niet-Jood.

De opstellers van de NGB konden die scheiding nog niet goed zien. Integendeel, zij handelden vanuit het principe van de vervangingsleer. Nu, zo’n 300 jaar later is de situatie natuurlijk heel anders. Inmiddels zien we dat de Joden hun identiteit hebben behouden (dat betekent dat ze de Torah hebben gehouden tot nu toe) en dat de profetieën hun vervulling vinden in dat volk. Het joodse volk is inmiddels (gedeeltelijk) in hun land teruggekeerd. Ondertussen zien we dat de kerk haar plaats opnieuw een het herzien is ten opzichte van het Joodse volk.

Dit onderscheid tussen Jood en niet-Jood, wat naar mijn idee ook is tussen joodse gelovige en niet-joodse gelovige, was ook na de Reformatie nooit duidelijk geweest. Nog steeds is het niet duidelijk. Ik ben er op dit moment een boek over aan het schrijven om te laten zien dat er inderdaad een onderscheid is, ook ten tijde van de apostelen.

Het Joodse volk en de Torah zijn met elkaar verbonden. Daardoor is het volk Joods, het is hun identiteit. Het probleem is dan dat Israël die zich verbonden heeft aan de Torah, niets kan veranderen aan deze Torah. Dat zou alleen kunnen door de autoriteit van Jezus. Een expliciete openbaring van Jezus aan het volk Israël. Waarbij dan te kennen wordt gegeven dat de Torah niet meer vervuld zou moeten worden zoals Mozes heeft bevolen. Bijvoorbeeld dat de offerdienst niet meer nodig is.

Wij, de kerk als niet-Joden zijn toch niet in staat om dat te doen voor het Joodse volk? Ook het Nieuwe Testament geeft dat niet aan. Joodse gelovigen bleven joods leven. Het Joodse volk, ook de apostelen en ander gelovige Joden, hebben altijd geofferd zolang de tempel er stond. Naar mijn idee kunnen wij (of beter de kerk) niet bepalen voor het Joodse volk hoe je de Torah moet houden.

Het tweede punt is dan dat de opstellers van de NGB het verschil niet zagen en dus niet zozeer oordeelden voor het Joodse volk: Er was maar één volk en dat was Israël uit Jood en Heiden, eigenlijk de Kerk.

Met dat in het achterhoofd, ga ik nu het artikel voorlezen over het “afdoen der ceremoniële wet”.

Artikel 25 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis:

Van het afdoen der ceremoniële wet.

Wij geloven dat de ceremoniën en figuren der Wet opgehouden hebben met de komst van Christus, en dat alle schaduwen een einde genomen hebben; alzo dat het gebruik daarvan onder de Christenen weggenomen moet worden; nochtans blijft ons de waarheid en substantie daarvan in Christus Jezus, in Denwelken zij hun vervulling hebben. Intussen gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te reguleren, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens Zijn wil.”

“Wij geloven dat de ceremoniën en figuren der Wet

Dit is een onduidelijke aanduiding. De tempel ceremonieen zou duidelijker zijn geweest, maar dat sluit andere dingen uit die de kerk ook niet meer houdt, zoals b.v. het loofhuttenfeest. En wat wordt er met “figuren der wet” bedoeld? De figuren gelden niet meer maar de “waarheid en substantie” daarvan wel. Dit slaat dan niet op de vergeestelijking van de wet, want dat gebruikt de kerk wel. Wat zijn “de figuren” dan? Die vraag blijft bij mij.

Dan verder: “opgehouden hebben met de komst van Christus en dat alle schaduwen een einde genomen hebben”. Probleem hier is dan het vraagstuk waarom Paulus de wet tot het einde van zijn leven gehouden heeft. Want dat blijkt duidelijk uit de laatste hoofdstukken uit het boek Handelingen. Voor het Joodse volk (zoals voor Paulus) heeft het niet “opgehouden”.

Voor de christenen ligt hier eigenlijk de kern van de zaak. Met de uitdrukking dat de schaduwen een einde genomen hebben wordt bedoeld dat de wet vervuld is geworden in Christus. Dit geldt in het bijzonder voor christenen die Jezus als de Messias hebben aangenomen. De vervulling van de Torah is de zaligheid. In ultieme zin, eigenlijk is de volmaakte vervulling van alles pas na dit leven, waar het eeuwig leven in Jezus is geworden. De volmaakte vervulling van alles, van de (her)schepping. Dat is begonnen met de komst van Jezus. Het probleem hier is dat het Joodse volk deze Jezus (en de vervulling) niet heeft aangenomen. Maar dat (om die reden) de vervulling van de Torah en daarmee de zaligheid, de heidenen, of beter, niet-Joodse gelovigen is geworden.

“Alzo dat het gebruik daarvan onder de Christenen weggenomen moet worden.” Wat mij betreft ligt hier iets moois in. Als tenminste onder “de christenen” wordt verstaan dat dit de niet-joodse kerk of gemeente is. Het is immers op het Jeruzalem convent besloten dat christenen (niet-Joodse gelovigen) de Torah niet hoeven te houden. (Hand.15) Precies wat Paulus voorstond bij de gemeente van Galatie. Niet-Joodse gelovigen moesten niet door (Judaiserende) Joodse gelovigen de Torah worden opgelegd. Daardoor kwam de zaligheid niet dichterbij, integendeel. In dat opzicht “moet het onder christenen weggenomen worden”, De Torah is alleen voor Joden bedoeld.

Nochtans blijft ons de waarheid en substantie daarvan in Christus Jezus”. Wat wordt bedoeld met “waarheid en substantie”? Dat is voor mij onduidelijk. Het is wel een duidelijk statement dat de waarheid in Christus Jezus blijft bestaan. Dat is heel mooi, want zodanig blijft de Torah van kracht met tittel en jota. Alleen het is hier de uitleg van die waarheid die voor onduidelijkheid kan zorgen.

“In Denwelken zij hun vervulling hebben.” En dus is alles in Christus vervuld. Alleen de uitwerking van de vervulling is onder de Joden als verbondsvolk nog niet te vinden.

“Intussen gebruiken wij nog de getuigenissen, genomen uit de Wet en de Profeten, om ons in het Evangelie te bevestigen, en ook om ons leven te reguleren, in alle eerbaarheid, tot Gods eer, volgens Zijn wil.” Wat zijn “de getuigenissen”? Ook hier dezelfde onduidelijkheid. Is het niet juist op basis van deze onduidelijkheid over de wet, dat men een ‘pick and choose’ mentaliteit ontwikkeld? Dat men zelf gaat kiezen wat er van de wet moet worden gehouden en wat niet? “Gebruiken wij nog” hetgeen wat kerkelijk wordt overeengekomen? Bijvoorbeeld: een vrouw mag geen mannenkleding aan, maar er mag wel varkensvlees worden gegeten? Of: De sabbat moet je houden, maar het Loofhuttenfeest niet?

Ik denk dat de intentie van dit artikel 25 wel goed is. Maar het niet onderkennen van het onderscheid tussen Jood en niet-Jood, ook onder gelovigen, maakt het onduidelijk en eigenlijk niet toepasbaar.

Wat dan? Is de Nederlands Geloofsbelijdenis niet goed? Ik meen dat deze belijdenis met zulke uitmuntend goede uiteenzettingen, zoals b.v. van de rechtvaardigmaking, zeker wel goed is. Maar ook het christendom heeft net als het jodendom gebreken omdat nog niet alles in de uitwerking vervuld is. En dat geeft dat we niet alles kunnen doorzien. De tijd is hierbij de beste leermeester. Vooralsnog zou ik zeggen: Bij twijfel vasthouden aan de “drie formulieren van enigheid” als uitleg van de bijbel. Voor Christenen.